Kort antwoord
De schijnbare tegenspraak ontstaat doordat “eeuwigheid” vaak wordt opgevat als een oneindig lange tijdlijn. In de klassieke christelijke theologie betekent Gods eeuwigheid echter niet dat God eindeloos lang in de tijd bestaat. Zij betekent dat God niet onderworpen is aan opeenvolgende momenten: verleden, heden en toekomst zijn niet drie opeenvolgende toestanden in God. Thomas van Aquino omschrijft eeuwigheid als het “gelijktijdig-gehele en volmaakte bezit van een onbegrensd leven”.[1]
Daarom is “God ging op een bepaald moment scheppen” niet de beste formulering. Dat zou veronderstellen dat God eerst niet schept, daarna verandert en vervolgens wel schept. Volgens het klassieke model is Gods wil eeuwig en onveranderlijk; wat begint, is niet een nieuwe toestand in God maar het geschapen universum. Aquinas stelt uitdrukkelijk dat een eeuwige goddelijke wil niet noodzakelijk een eeuwig effect voortbrengt.[3]
1. De kernfout: een tijdswoord op God toepassen
Woorden als “ervoor”, “daarna” en “wachten” hebben betekenis binnen de tijd. Als God de tijd zelf schept, bestaat er geen tijdperk waarin God vóór de schepping zat te wachten. Augustinus formuleert het probleem al op deze manier: als er tijd vóór hemel en aarde was, moest ook die tijd door God geschapen zijn; en als er geen tijd was, was er ook geen “toen”.[2]
De vraag “Wat deed God vóór de schepping?” bevat dus al een verborgen aanname, namelijk dat er vóór de schepping een eerdere periode bestond. In de klassieke uitleg is dat geen lege periode, maar helemaal geen periode. Er was geen kosmische klok die al liep en waarop God later besloot iets toe te voegen. Tijd behoort tot de geschapen orde.
Dit betekent niet dat de schepping onwerkelijk of slechts een denkbeeld is. Het betekent dat de relatie tussen Gods eeuwigheid en onze tijd niet moet worden voorgesteld als twee momenten op dezelfde tijdlijn. Augustinus zegt dat God boven alle tijden staat in een altijd-tegenwoordige eeuwigheid.[2] De tijd begint voor schepselen; zij begint niet als een verandering die God in een eerdere tijd ondergaat.
2. Augustinus: geen onderbreking, omdat er geen goddelijke tijdlijn is
Augustinus is hier een verhelderende casus. Hij neemt de vraag serieus, maar weigert het beeld van God als iemand die vóór de schepping eeuwenlang niets deed. Volgens zijn redenering konden zulke eeuwen niet voorbijgaan voordat God de tijd had gemaakt.[2] Het woord “wachten” beschrijft dus een menselijke ervaring, niet een toestand waarin God vóór de schepping verkeerde.
Het belangrijke onderscheid is dat tijd bestaat uit opeenvolging. Een mens is eerst in toestand A en daarna in toestand B. Klassiek opgevatte eeuwigheid bestaat juist niet uit een oneindige reeks goddelijke momenten. Bij Aquinas volgt daaruit dat eeuwigheid geen begin, einde of opeenvolging heeft.[1] Als er in God geen opeenvolgende momenten zijn, kan de schepping ook niet worden beschreven als een onderbreking van Gods eeuwigheid.
De klassieke uitleg zegt daarmee niet dat er in God eerst een “niet-scheppen” was en daarna een “scheppen”. Die twee woorden beschrijven de verhouding van God tot de wereld vanuit ons tijdelijke perspectief. Gods eeuwige oorzaak is niet tijdelijk veranderd; het effect verschijnt wel op een eerste moment in de geschapen tijd. Dat is precies waarom “God ging scheppen” misleidend is: grammaticaal klinkt het alsof er een overgang in God plaatsvond.
3. Aquinas: een eeuwige oorzaak kan een tijdelijk effect hebben
Aquinas maakt het meest directe onderscheid tussen twee soorten voorafgaan. God kan de wereld voorafgaan in de orde van de natuur of de afhankelijkheid, zonder haar vooraf te gaan in tijdsduur. God is dan de grond waardoor de wereld bestaat, maar niet iemand die eerst gedurende een lange periode bestaat en daarna pas de wereld voortbrengt. Voorafgaan in duur zou immers een tijd vóór de wereld veronderstellen.[3]
Zijn antwoord is dat Gods eeuwige wil niet noodzakelijk tot een eeuwig effect leidt. God is volgens dit model een vrije oorzaak en kan dus een effect willen dat een begin heeft.[3] Schepping is bovendien geen gewone verandering, zoals hout dat eerst onbewerkt is en daarna een tafel wordt. Bij een gewone verandering is er een vooraf bestaande werkelijkheid die van toestand verandert; bij schepping gaat het om het bestaan van de geschapen werkelijkheid zelf. Aquinas zegt daarom dat schepping geen opeenvolgende verandering is en dat de Schepper het geschapene niet in tijdsduur hoeft vooraf te gaan.[3]
Een eenvoudige formulering is: God is niet eerst alleen en daarna samen met de wereld op dezelfde tijdlijn. De wereld begint afhankelijk van Gods eeuwige wil. Het nieuwe bevindt zich aan de kant van de wereld, niet als een nieuw besluit in God. Dit is een metafysische uitleg, geen natuurkundige beschrijving van een gebeurtenis die men van buitenaf kan filmen.
4. Is dit de enige mogelijke christelijke oplossing?
Nee. De oplossing hierboven hoort bij het klassieke model van goddelijke tijdloosheid. In dat model bestaat God niet op een bepaald tijdstip en ervaart Hij geen temporele opeenvolging.[4] Schepping kan dan worden begrepen als het voortbrengen van zowel de fysieke werkelijkheid als de tijd zelf.[4]
Andere filosofisch-theologische modellen verstaan Gods eeuwigheid als eindeloze duur. Daarin bestaat God zonder begin en einde, maar wel binnen de tijd; Gods gedachten en handelingen hebben dan een temporele volgorde.[4] In zo’n model kan men zeggen dat God op een bepaald moment schept, maar dan moet men verklaren welke tijdsstructuur er voorafgaand aan onze fysieke kosmos bestaat en hoe Gods eigen tijd zich daartoe verhoudt.
Er bestaan ook hybride modellen. Daarin staat God niet binnen onze fysieke tijd, maar heeft Hij wel een eigen vorm van temporele opeenvolging. Een bekende variant stelt dat God zonder schepping tijdloos is en door de schepping temporeel wordt.[4][52.198-205] Dat model neemt de intuïtie serieus dat scheppen een nieuwe relatie of nieuwe toestand in God inhoudt, maar het betaalt daarvoor met de opvatting dat God na de schepping werkelijk verandert.
De vraag heeft dus niet één antwoord dat onafhankelijk is van alle theologische uitgangspunten. Zij wordt vooral beslist door de betekenis van “eeuwigheid”: tijdloosheid, eindeloze tijdsduur of een hybride vorm.
5. Wat wordt er dan precies onderbroken?
In de klassieke uitleg wordt Gods eeuwigheid niet onderbroken. Wat een begin krijgt, is de tijd en daarmee de veranderlijke schepping. Aquinas verbindt tijd met beweging en verandering, terwijl eeuwigheid juist wordt gekenmerkt door onveranderlijkheid en het ontbreken van opeenvolging.[1][49.100-101]
Er is wel een belangrijke nuance. Vanuit ons standpunt ontstaat er een nieuwe verhouding: eerst is de wereld er niet, vervolgens is zij er wel. Dat is een echte verandering in de wereld. De klassieke theoloog zal echter zeggen dat daaruit niet volgt dat God in zichzelf van toestand A naar toestand B gaat. De verandering ligt in het geschapene en in zijn afhankelijkheidsrelatie tot God. Dit is een gevolgtrekking uit het klassieke onderscheid tussen Gods onveranderlijkheid en de veranderlijkheid van schepselen, niet een bewering dat de spanning voor iedereen filosofisch opgelost is.
De sterkste formulering van het antwoord luidt daarom: God schept niet na een periode van niet-scheppen binnen de tijd; God is de eeuwige grond van een wereld die wel een eerste moment in de tijd heeft. Als men daarentegen denkt dat ieder handelen noodzakelijk een verandering in de handelende persoon vereist, zal men een temporeel of hybride godsbeeld overtuigender vinden. De oorspronkelijke vraag legt dus een echte filosofische spanning bloot, maar geen simpele logische tegenspraak.
Referenties
- SUMMA THEOLOGIAE: The eternity of God (Prima Pars, Q. 10) newadvent.org
- The Confessions of Saint Augustine (Outler)/Book XI – Wikisource, the free online library en.wikisource.org
- SUMMA THEOLOGIAE: The beginning of the duration of creatures (Prima Pars, Q. 46) newadvent.org
- God and Time | Internet Encyclopedia of Philosophy iep.utm.edu
Geef een reactie