Logos instituut 6:

6. Veel aardlagen zijn te scherp verbogen

verbogen aardlagen

In veel bergachtige gebieden vinden we aardlagen van honderden meters dikte die geplooid en gevouwen zijn in de vorm van een haarspeld. De gangbare geologische tijdschaal verklaart dat deze formaties al honderden miljoenen jaren diep begraven lagen en versteend waren, voordat ze werden geplooid. Het plooien heeft echter plaatsgevonden zonder barsten, in bochten die zo klein zijn dat de volledige lagenformatie nog nat en zacht geweest moest zijn toen deze geplooid werd. Dit betekent dat het plooien in minder dan enkele duizenden jaren na het afzetten van die lagen moet hebben plaatsgevonden.

Weerlegging

Waarom scherpe gesteenteplooien geen jonge aarde bewijzen

Kerninzichten

  • Vast Is Niet Hetzelfde Als Bros: gesteente kan blijvend vervormen zonder te smelten. Of het breekt of ductiel vervormt, hangt onder meer af van temperatuur, druk, samenstelling en vervormingssnelheid. Een scherpe plooi bewijst daarom niet dat het materiaal nog los sediment was. [4]
  • Omgevingsdruk Onderdrukt Breukopening: hoge druk rondom een gesteente maakt breukvorming moeilijker; gerichte spanningsverschillen veroorzaken de vervorming. Beoordeel die twee effecten afzonderlijk. [4]
  • Langzame Rek Maakt Verschil: bij een lage vervormingssnelheid krijgen microscopische processen meer tijd. Het gedrag van een steen die aan het oppervlak snel wordt gebogen, is daarom geen goede maatstaf voor begraven gesteente. [4]
  • Een Lagenpakket Is Geen Massieve Balk: afzonderlijke lagen kunnen langs elkaar schuiven en intern verschillend vervormen. De totale pakketdikte zegt dus niet hoeveel rek iedere laag ondergaat. [7]
  • De Microscoop Toetst De Schijnbare Continuiteit: gesteente kan op grote schaal samenhangend vervormen terwijl korrels breken, oplossen of plastisch vervormen. “Geen zichtbare barsten” betekent niet “geen interne vervormingsstructuren”. [2]
  • Plooivorm Is Geen Ouderdomsklok: afzetting en vervorming worden afzonderlijk onderzocht, onder andere via stratigrafische relaties en mineralen die tijdens vervorming groeien. Uit alleen een haarspeldvorm volgt geen termijn van enkele duizenden jaren. [11]

1. Vast gesteente kan ductiel vervormen

De aangehaalde redenering bevat een onjuiste tweedeling: een laag zou ofwel zacht zijn en kunnen buigen, ofwel versteend zijn en noodzakelijk breken. In de gesteentemechanica bestaat een derde mogelijkheid: ductiele vervorming van vast gesteente. Daarbij verandert het gesteente blijvend van vorm, zonder dat de vervorming uitsluitend wordt opgenomen door grote breuken die het gesteente in afzonderlijke blokken verdelen. Universitaire leerstof beschrijft plooiing juist als een uitkomst van zulke vervorming onder samendrukking of afschuiving. [4]

“Vast” beschrijft de toestand van het materiaal; “bros” en “ductiel” beschrijven hoe het onder bepaalde omstandigheden vervormt. Hogere temperatuur bevordert beweging en herschikking op atomaire schaal. De mineralogische samenstelling doet eveneens ter zake: verschillende mineralen reageren niet identiek op dezelfde belasting. Daarom bestaat er geen universele regel dat ieder gelithificeerd gesteente bij een bepaalde kromming moet knappen. [4]

Experimenteel voorbeeld: gesteenten onder omgevingsdruk. In onderzoek van USGS-geoloog James Byerlee werden onder meer kalkstenen, gabbro en duniet bij kamertemperatuur onder verschillende omgevingsdrukken vervormd. De experimenten laten een overgang tussen bros en ductiel gedrag zien. Dat resultaat is relevant omdat het laat zien dat het gedrag van reeds vast gesteente door de belastingsomstandigheden verandert; daarvoor hoeft het materiaal niet eerst terug te keren naar een toestand van losse modder. [2]

Daarbij is een belangrijke nuance nodig. In deze experimenten kan korrelvergruizing een belangrijk mechanisme zijn; bij kalksteen kan ook plastische vervorming van afzonderlijke kristallen optreden. “Ductiel” op de schaal van het proefstuk betekent dus niet automatisch “uitsluitend kristalplastisch” of “zonder enige microscopische breuk”. Het is juist dit onderscheid tussen het gedrag van het geheel en de processen in afzonderlijke korrels dat de geciteerde tekst mist. [2]

De juiste vraag is daarom niet: “Hoe kan harde steen buigen?”, maar: welke vervormingsmechanismen waren onder de plaatselijke omstandigheden actief?

2. Omgevingsdruk, temperatuur en tijd werken samen

Confining pressure, hier omgevingsdruk genoemd, is druk die het gesteente van alle kanten omsluit. Zij belemmert het openen van scheuren. Gerichte spanningsverschillen hebben een andere functie: samendrukking en afschuiving kunnen de vorm van het gesteente veranderen. Omgevingsdruk alleen verklaart dus niet waarom een bepaalde plooi ontstaat; zij helpt verklaren waarom een gesteente tijdens vervorming zijn samenhang kan behouden. [4]

Ook de reksnelheid is essentieel: de snelheid waarmee de vorm verandert. Bij snelle belasting kan breuk optreden voordat langzamere microscopische processen voldoende vervorming opnemen. Bij lage reksnelheid krijgen atomen en korrels meer tijd om zich te verplaatsen of te herschikken. Grote uiteindelijke vervorming hoeft daardoor niet te betekenen dat op ieder moment extreem snelle vervorming plaatsvond. [4]

Dat betekent niet dat “genoeg tijd” ieder gesteente onder iedere omstandigheid willekeurig buigzaam maakt. Temperatuur, effectieve druk, mineralogie en vervormingssnelheid moeten gezamenlijk worden beoordeeld. De verklaring is een fysisch samenspel, geen beroep op tijd als wondermiddel. [4]

Tegenvoorbeeld dat de nuance verduidelijkt: Tavel-kalksteen. Experimenten van Noel en collega’s laten zien dat verhoging van de vloeistofdruk in de porien een aanvankelijk ductiel vervormend gesteente alsnog tot gelokaliseerde breukvorming kan brengen. In vereenvoudigde vorm is de effectieve omgevingsdruk het verschil tussen de omgevingsdruk en de poriedruk. Een hogere poriedruk kan die effectieve opsluiting dus verminderen. [5]

Water heeft daarmee geen enkelvoudig effect. Het kan chemische vervormingsprocessen ondersteunen, maar een hoge poriedruk kan ook breukvorming bevorderen. Bovendien kan een volledig gelithificeerd gesteente water in zijn porien bevatten. Waterhoudend gesteente is niet hetzelfde als ongeconsolideerd sediment. De tegenstelling “nat en zacht” tegenover “droog en hard” is daarom ongeschikt als verklaring van natuurlijke plooien. [5][6]

3. Drukoplossing en herkristallisatie verplaatsen materiaal

Bij drukoplossing verdwijnt mineraalmateriaal door oplossing op belaste korrelcontacten. Opgeloste bestanddelen kunnen via vloeistoffen worden vervoerd en elders opnieuw neerslaan. Zo veranderen korrelvormen en korrelcontacten terwijl het gesteente als geheel vast en samenhangend blijft. MIT behandelt deze combinatie van oplossing en neerslag expliciet bij zandstenen en carbonaten. [6]

Dit is geen buigen van een onveranderlijke steen alsof die van rubber is. Het materiaal zelf wordt op kleine schaal herverdeeld. Kenmerkende sporen kunnen bestaan uit elkaar indringende, grillige korrelcontacten en oplossingsnaden. Zulke structuren geven informatie over wat er binnen een ogenschijnlijk doorlopende laag is gebeurd. [6]

Ook herkristallisatie is belangrijk: de minerale structuur en korrelopbouw kunnen veranderen terwijl het gesteente vast blijft. In vervormde kleirijke gesteenten kan bijvoorbeeld een nieuw mineraalweefsel ontstaan door een combinatie van rotatie, drukoplossing en herkristallisatie. MIT beschrijft deze processen bij de vorming van leisteensplijting, gekoppeld aan beginnende laaggradige metamorfose. Daarvoor is geen volledig gesmolten gesteente nodig. [3]

Veldvoorbeeld: de East Derby-schuifzone in New England. Onderzoekers beschrijven daar in de Wepawaug Schist het oplossen van oudere muscoviet en de groei van nieuwe muscoviet en chloriet in jongere vervormingsstructuren. De microstructuren tonen een combinatie van oplossing, transport, neerslag en glijden langs korrelgrenzen. Dat is concreet waarneembaar materiaaltransport binnen eerder gevormd gesteente. [9]

Deze casus bewijst niet dat iedere haarspeldplooi precies zo ontstaat. Zij weerlegt wel de algemene aanname dat grote blijvende vervorming uitsluitend mogelijk is zolang het materiaal nog los sediment is. Welke mechanismen een specifieke plooi verklaren, moet uit haar gesteenten en microstructuren blijken.

4. Een scherpe plooi is geen ongebroken massieve balk

De geciteerde tekst benadrukt lagenpakketten van honderden meters dik. Maar een gelaagde opeenvolging hoeft mechanisch niet als een enkele balk te reageren. Sterkere lagen kunnen worden gescheiden door zwakkere lagen of grensvlakken waarlangs verschuiving plaatsvindt. Daardoor kan het pakket veel verder plooien dan wanneer alle lagen volledig aan elkaar vastzaten. [7]

Een inzichtelijke analogie uit de ETH-leerstof is het buigen van een boek: de bladzijden schuiven langs elkaar. Dit mechanisme heet flexural slip, oftewel laaggrensglijding. De analogie gaat over de verdeling van beweging, niet over de materiaalsterkte van papier en steen. In gesteenten wordt de beweging opgenomen langs laagvlakken en andere mechanische discontinuiteiten. [7]

ETH beschrijft bovendien chevronplooien met relatief rechte flanken en sterk gelokaliseerde vervorming in de scharnierzones. Daarbij kunnen laaggrensglijding en vervorming van zwakkere tussenlagen samenwerken. Een scherpe geometrie betekent dus niet dat het complete lagenpakket overal dezelfde vervorming heeft ondergaan. [7]

Daarnaast verschillen ontsluitingsschaal en microschaal. Een laag kan op afstand doorlopend lijken, terwijl in afzonderlijke korrels breukjes, verbrijzeling of plastische vervorming aanwezig zijn. Drukoplossing kan eveneens bijdragen aan interne vervorming. Een foto waarop geen grote open scheur zichtbaar is, sluit deze mechanismen niet uit. [2][7]

De relevante toets is daarom niet alleen de buitencontour van de plooi. Laaggrensverschuivingen, de verdeling van vervorming tussen scharnier en flanken, en de korrelstructuren moeten samen worden onderzocht. ETH waarschuwt bovendien dat een ontsluiting slechts een deel van een plooi toont en dat de eigenschappen elders kunnen verschillen. [7]

5. De geologie schrijft geen universele wachttijd voor

De bewering dat lagen volgens de gangbare geologie altijd eerst honderden miljoenen jaren volledig versteend en diep begraven moeten zijn voordat zij plooien, is onjuist. Zij verwart de ouderdom van een sedimentaire formatie met de ouderdom en duur van haar latere vervorming. Geologen onderzoeken die gebeurtenissen afzonderlijk. De leeftijd van vervorming kan bijvoorbeeld worden begrensd door de ouderdom van vervormde lagen en van jongere afzettingen die de structuur afdekken. [11]

Diagenese is bovendien geen ogenblikkelijke omschakeling van modder naar volledig afgewerkt gesteente. Zij omvat onder meer compactie, cementatie, oplossing en herkristallisatie. Lithificatie is het geheel van processen waardoor los sediment vast sedimentair gesteente wordt; cementatie en chemische veranderingen kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. [6]

Afzetting en tektonische vervorming kunnen ook gelijktijdig plaatsvinden. Groeilagen worden afgezet terwijl een structuur zich ontwikkelt en kunnen daardoor de actieve plooiing in de sedimentaire opeenvolging registreren. Zulke syntektonische afzettingen zijn juist een middel om de timing van vervorming te bepalen, geen afwijking die de gangbare geologie uitsluit. [11]

GebeurtenisWat wordt onderzocht?Welke tijdsinformatie levert dat?
AfzettingStratigrafische ouderdom en correlatie van de lagenWanneer het sediment werd gevormd. [11]
Diagenese en lithificatieCompactie, korrelcontacten, cementatie en mineraalveranderingenWelke veranderingen het sediment na afzetting onderging; geen universeel moment van “volledige verstening”. [6]
Begraving en verdere ontwikkelingDe opeenvolging van compactie en diagenetische veranderingenHoe gesteente en porien zich tijdens begraving ontwikkelen. [6]
Tektonische vervormingGroeilagen, doorsnijdingsrelaties en mineralen die met de vervorming samenhangenWanneer een bepaalde vervormingsfase plaatsvond. [11]

Niet iedere gebeurtenis krijgt dus automatisch een afzonderlijke, exacte radiometrische leeftijd. Vaak levert een combinatie van waarnemingen een relatieve volgorde of een tijdsinterval op.

Bij geschikte structuren kunnen onderzoekers calciet in aders of illiet in breukgesteente radiometrisch dateren. Maar daarvoor moet eerst worden vastgesteld hoe de mineraalgroei samenhangt met de vervorming. Een calcietouderdom is niet vanzelf de ouderdom van de hele plooi; oudere bestanddelen, latere vloeistofstroming en verschillende vervormingsfasen kunnen de interpretatie compliceren. [11]

6. Welke veldwaarnemingen onderscheiden de verklaringen?

Vervorming van nog niet gelithificeerd sediment bestaat werkelijk en wordt door geologen onderzocht. De keuze is dus niet tussen “alle plooien ontstonden in harde steen” en “alle plooien ontstonden in zachte modder”. De moeilijkheid is dat alleen de plooivorm vaak onvoldoende onderscheid maakt: vergelijkbare vormen kunnen in verschillende omstandigheden ontstaan. [1]

Voor een concrete ontsluiting zijn vooral de volgende combinaties van waarnemingen relevant:

WaarnemingBetekenis voor de interpretatieBelangrijke beperking
Relatie tussen vervormde lagen en jongere afzettingenEen jongere, niet-vervormde afdekking kan de vervorming in de tijd begrenzen.Dat bewijst op zichzelf niet dat de vervormde laag toen nog ongeconsolideerd was.
Sedimentaire verstoring en relatie tot de omliggende lagenKan een vroege vervormingsgeschiedenis ondersteunen.De volledige stratigrafische context is belangrijker dan een losse foto van een plooi.
Laaggrensglijding en bijbehorende verschuivingsstructurenKan aantonen hoe een gelaagd gesteentepakket de kromming opneemt.De geometrie moet met de waargenomen bewegingsrichtingen overeenstemmen. [7]
Oplossingsnaden, vervormde korrels en nieuw mineraalweefselTonen microscopische processen die vervorming van vast gesteente kunnen accommoderen.Niet ieder afzonderlijk kenmerk is onder alle omstandigheden exclusief voor laat-tektonische vervorming. [3][9]
Aders en mineralen die voor, tijdens of na plooiing ontstaanHun onderlinge relaties kunnen verschillende vervormingsfasen onderscheiden.De ouderdom van mineraalgroei moet zorgvuldig aan de juiste fase worden gekoppeld. [11]

Voor de sedimentaire criteria en hun beperkingen is juist de literatuur over het herkennen van zachte-sedimentvervorming relevant. Daarin staat de combinatie van structuren en context centraal, niet een simpele regel “scherp geplooid betekent zacht”. [8]

Ook een splijtingsweefsel of een microscopische breuk mag niet geisoleerd als beslissend bewijs worden gebruikt. Sommige kenmerken zijn niet uniek, en een gesteente kan meer dan een vervormingsfase bewaren. De sterkste interpretatie verklaart zowel de sedimentaire relaties als de regionale structuur en de korrelwaarnemingen, in plaats van alleen de opvallendste vorm te selecteren. [8]

Synthese en compacte conclusie

De twee verklaringen verschillen op meerdere punten. Vervorming van ongeconsolideerd sediment beschrijft beweging voordat een vast gesteenteskelet volledig is ontwikkeld. Tektonische vervorming van gelithificeerd gesteente kan daarentegen worden opgenomen door kristalvervorming, drukoplossing, herkristallisatie, korrelvervorming en laaggrensglijding. De onderscheidende informatie zit daarom in het materiaalgedrag, de structuren op verschillende schalen en de relatieve of absolute timing, niet alleen in de scherpte van een bocht. [6][2][3][7][11]

De belangrijkste spanning in het aangehaalde argument is dat het uit een grootschalige vorm zowel een microscopisch mechanisme als een exacte tijdsgrens probeert af te leiden. Geen van beide volgt noodzakelijk uit die vorm. Zelfs wanneer onderzoek voor een bepaalde laag daadwerkelijk vroege zachte-sedimentvervorming aantoont, volgt daaruit niet dat alle formaties zo ontstonden, laat staan dat de aarde jong is.

Conclusie: scherpe of haarspeldvormige plooien vereisen geen nog nat en zacht sediment. Vast gesteente kan onder geschikte druk, temperatuur en vervormingssnelheid sterk vervormen, terwijl laaggrensglijding en microscopische processen de samenhang op grotere schaal behouden. Omdat de plooivorm bovendien geen universele termijn tussen afzetting en vervorming vastlegt, levert zij geen bewijs voor een jonge aarde. [4][7][11]

Referenties

  1. lyellcollection.org lyellcollection.org
  2. earthquake.usgs.gov earthquake.usgs.gov
  3. ocw.mit.edu ocw.mit.edu
  4. Deformation of Rock www2.tulane.edu
  5. agupubs.onlinelibrary.wiley.com agupubs.onlinelibrary.wiley.com
  6. ocw.mit.edu ocw.mit.edu
  7. files.ethz.ch files.ethz.ch
  8. sciencedirect.com sciencedirect.com
  9. Deformation by Pressure Solution and Grain Boundary Sliding in a Retrograde Shear Zone in Southern New England, USA | Published in American Journal of Science ajsonline.org
  10. se.copernicus.org se.copernicus.org
  11. Timing, sequence, duration and rate of deformation in fold-and-thrust belts: a review of traditional approaches and recent advances from absolute dating (K–Ar illite/U–Pb calcite) of brittle structures comptes-rendus.academie-sciences.fr

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *