Kernoverzicht

Relatieve datering bepaalt wat ouder of jonger is dan iets anders. Absolute of chronometrische datering kent een numerieke ouderdom of kalenderperiode toe. Het woord “absoluut” betekent dus niet “zonder onzekerheid”: ook een laboratoriumdatering heeft meetmarges en vereist interpretatie. Beide benaderingen vullen elkaar aan: stratigrafie levert bijvoorbeeld de volgorde, terwijl natuurwetenschappelijke metingen die volgorde in de tijd verankeren. [10][7]

  • Context Eerst: een meting dateert een bepaalde gebeurtenis, zoals jaarringgroei, overlijden of afkoeling van lava -> controleer of die gebeurtenis overeenkomt met de menselijke activiteit die je wilt dateren. [2][3][8]
  • Andere Klokken Voor Andere Materialen: C-14 bereikt doorgaans ongeveer 50.000 jaar, terwijl uranium-thorium meestal bruikbaar is tot ongeveer 500.000 jaar -> kies een methode op basis van materiaal en verwachte ouderdom. [3][12]
  • Kalenderjaren Vereisen Kalibratie: een C-14-ouderdom in BP is geen rechtstreeks kalenderjaar -> gebruik een passende kalibratiecurve en, waar nodig, een reservoircorrectie. [4][3]
  • Een Voorwerp Is Niet Zijn Vindlaag: een munt dateert haar vervaardiging, niet automatisch haar begraving -> gebruik haar als tijdsgrens, samen met de vondstcontext. [9]
  • Precisie Verschilt Per Gebeurtenis: dendrochronologie kan een afzonderlijk groeijaar aanwijzen; zonder buitenste houtlagen is het kapjaar minder precies -> vermeld welk onderdeel werkelijk is gedateerd. [2]
  • Combineren Is Meer Dan Gemiddelden: Bayesiaanse chronologische modellen verbinden dateringen met archeologische relaties -> rapporteer ook aannames, afwijkende resultaten en gevoeligheid van het model. [7]

De tijdsbereiken hieronder zijn benaderingen, geen harde grenzen. Materiaal, conservering, meetmethode en lokale omstandigheden bepalen wat werkelijk haalbaar is. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de verschillende grenzen voor gewone kwartsluminescentie, specialistische luminescentietechnieken en ESR. [11][6]

1. Relatieve datering: volgorde voordat er jaartallen zijn

Relatieve methoden zijn de basis van archeologisch en geologisch onderzoek. Het bekendste uitgangspunt is het superpositiebeginsel: in een ongestoorde opeenvolging ligt een jongere afzetting boven een oudere. De cruciale voorwaarde is de context: een vondst moet nog betrouwbaar met haar oorspronkelijke afzetting verbonden zijn. [10]

MethodeWat wordt gedateerd?Bruikbaar tijdsbereik, ongeveerKernprincipeSterke puntenBelangrijkste beperkingen
StratigrafieDe onderlinge volgorde van afzettingen, bouwfasen en ingrepenGeen vaste leeftijdsgrens; bruikbaar zolang relaties bewaard zijnBovenliggende lagen zijn doorgaans jonger; een ingreep die iets doorsnijdt, is laterGeeft context en volgorde, ook zonder geschikt laboratoriummonsterLevert op zichzelf geen kalenderjaar; verstoring kan de oorspronkelijke volgorde onduidelijk maken. [10][7]
Typologie en seriatieVoorwerpen en vondstgroepen, bijvoorbeeld aardewerktypenGeen universeel bereik; afhankelijk van de beschikbare regionale reeksTypologie groepeert kenmerken; seriatie ordent veranderingen in stijlen of hun voorkomenVeel vondsten kunnen samen een chronologische reeks vormenEen stijlperiode is geen exact productiejaar; de tijdsbetekenis moet aan een referentiereeks worden gekoppeld. [10][7]
KruisdateringEen onbekende vondst of reeks via overeenkomst met een gedateerde referentieAfhankelijk van de referentiereeksEen herkenbaar patroon wordt verbonden met hetzelfde patroon eldersVerbindt vindplaatsen en verschillende soorten gegevensEen onjuiste koppeling geeft een onjuiste ouderdom; de kwaliteit van de referentie blijft bepalend. Boomringen en tefra zijn concrete toepassingen. [10][5]
Historische bronnenEen beschreven gebeurtenis, persoon, bouwfase of regeringsperiodeVooral perioden met schriftelijke bronnen; bereik verschilt per samenlevingTeksten en inscripties worden gekoppeld aan historische chronologieKunnen gebeurtenissen en namen direct verbindenDe bron moet betrouwbaar zijn en werkelijk over het onderzochte object of de gebeurtenis gaan; schriftelijke en archeologische chronologie kunnen botsen. [9][7]
MuntenDe muntproductie en, indirect, de context waarin de munt terechtkwamVanaf het gebruik van munten in de betrokken regio tot hedenEen context kan niet ouder zijn dan een daarin opgenomen munt, mits de associatie betrouwbaar isKan een scherpe vroegst mogelijke datum gevenEen munt kan lang circuleren: slaan, gebruik en begraven zijn verschillende gebeurtenissen. [9]

De hoofdles: relatieve datering is geen minderwaardige vervanging voor een laboratoriumdatum. Ze bepaalt juist hoe een datum op een vindplaats mag worden toegepast. [7]

Casus: een Romeinse munt onder een scheepsmast

Een in Londen ontdekt Romeins schip had onder de mast een versleten munt van keizer Domitianus, geslagen in 88-89 n.Chr. De munt ondersteunt een laat-eerste-eeuwse datering van het schip, maar de publicatie benadrukt dat zij niet het enige bewijs daarvoor is. [9]

Zo’n vondst levert een terminus post quem: de bouw kan niet eerder zijn dan het slaan van de munt. Dat is iets anders dan zeggen dat het schip precies in 88 of 89 is gebouwd. Het onderscheid tussen een vroegst mogelijke datum en een werkelijk bouwjaar voorkomt schijnprecisie. [9]

Ook geschreven bronnen zijn niet automatisch doorslaggevend. De beschrijving van de oorsprong van Romeinse munten door Plinius laat zich volgens het Archaeological Institute of America niet goed verenigen met de vondsten uit vroege muntschatten. Hier helpt archeologie dus om een historische tekst kritisch te toetsen. [9]

2. Boomringen en C-14: van groeijaar naar kalenderperiode

Dendrochronologie en radiokoolstofdatering gebruiken beide organisch materiaal, maar meten iets anders. Boomringen leveren een herkenbaar jaarlijks groeipatroon; C-14 meet radioactief verval nadat de uitwisseling van koolstof is gestopt. [2][10][3]

MethodeWat wordt gedateerd?Bruikbaar tijdsbereik, ongeveerKernprincipeSterke puntenBelangrijkste beperkingen
DendrochronologieDe vorming van jaarringen; met voldoende buitenste ringen ook de kapdatumBinnen de beschikbare, passende referentiechronologie; geen universele maximumleeftijdOverlappende groeipatronen worden met elkaar gekruisd en aan kalenderjaren gekoppeldKan afzonderlijke jaren en soms het kapseizoen aanwijzenNiet ieder houtmonster is dateerbaar; ontbrekende buitenste ringen beperken de kapdatering. De ouderdom van hout is niet automatisch de bouwdatum. [10][2]
Radiokoolstofdatering, C-14Koolstof in onder meer hout, zaden, bot en schelp; de bijbehorende biologische koolstofgeschiedenisDoorgaans tot circa 50.000 jaar terugNa het stoppen van koolstofuitwisseling neemt C-14 door radioactief verval af; de fysische halfwaardetijd is circa 5.730 jaarBreed toepasbaar op organische restenVerontreiniging, materiaalkeuze, reservoir-effecten en de relatie tussen monster en gebeurtenis beïnvloeden de uitkomst. [3]

Het onderscheid tussen materiaalouderdom en gebruiksdatum is hier essentieel. Een gedateerde binnenste jaarring geeft het groeijaar van die ring, niet vanzelf het moment waarop de boom werd geveld of het hout werd gebruikt. [2]

Kalibratie: waarom C-14-jaren geen kalenderjaren zijn

Een conventionele C-14-ouderdom wordt uitgedrukt in BP, “Before Present”, met 1950 als vast referentiejaar. Je kunt dus niet simpelweg de gemeten BP-waarde van het huidige jaar aftrekken. Kalibratie vertaalt de meting naar kalendertermen, met behulp van onder meer onafhankelijk gedateerde boomringen. [4]

Dat is nodig omdat de hoeveelheid C-14 in de atmosfeer door de tijd varieert. Daardoor kan een meting bij verschillende kalenderintervallen passen. Het resultaat is dan geen enkel jaartal, maar een kansverdeling, soms met meerdere afzonderlijke mogelijke perioden. [4]

De IntCal20-publicatie beschrijft bijgewerkte kalibratiecurven tot 55.000 kalenderjaren BP. Voor de atmosferische reeks reikt het volledig op boomringen gebaseerde deel tot ongeveer 13.900 kalenderjaren BP; het oudere gedeelte combineert verschillende onafhankelijk gedateerde archieven. Dat de curve zo ver reikt, betekent niet dat elk monster tot die grens betrouwbaar meetbaar is. [1][3]

Reservoir-effect: koolstof kan bij opname al “oud” zijn

Een reservoir-effect ontstaat wanneer de opgenomen koolstof niet in evenwicht is met de toenmalige atmosfeer. Mariene monsters zijn bijvoorbeeld gemiddeld ongeveer 400 radiokoolstofjaren ouder dan gelijktijdige atmosferische koolstof. Die waarde is een gemiddelde, geen universele correctie voor iedere zee, periode of soort monster. [3]

Kalibratie en reservoircorrectie beantwoorden daarom verschillende vragen: de eerste vertaalt de atmosferische C-14-schaal naar kalenderjaren; de tweede houdt rekening met een afwijkende koolstofbron. Ook zoetwatersystemen en voedselketens vragen daarom een beoordeling van de koolstofherkomst, in plaats van automatische behandeling als atmosferisch monster. [4][3]

Casus: een kapseizoen op Windsor Castle

Bij onderzoek van hout uit Windsor Castle behield een monster alle spinthoutringen. De onvoltooide laatste ring wees op kap in de zomer van 1489. Dat is uitzonderlijk precieze informatie over het vellen van een boom. [2]

Die precisie volgt niet uitsluitend uit een goede meting, maar ook uit het behoud van de juiste buitenste houtlagen. Ontbreken die, dan moet de onderzoeker een kapinterval schatten. De praktische keuze is dus niet alleen “welke methode?”, maar ook “welk deel van welk monster?” [2]

3. TL, OSL en ESR: opgeslagen straling als klok

Natuurlijke radioactiviteit kan in mineralen een meetbaar signaal opbouwen. Bij deze methoden wordt een opgebouwde dosis gereconstrueerd en gekoppeld aan het dosistempo tijdens de begraving. ESR beschrijft dit expliciet als het gebruik van het monster als een natuurlijke dosismeter. [6]

De kernvraag is wanneer de relevante klok begon. Bij luminescentie kan verhitting of licht de eerdere geschiedenis wissen; bij fossiel tandglazuur moet onder meer de stralingsgeschiedenis tijdens de begraving worden gereconstrueerd. [11]

MethodeWat wordt gedateerd?Bruikbaar tijdsbereik, ongeveerKernprincipeSterke puntenBelangrijkste beperkingen
Thermoluminescentie, TLVooral het laatste voldoende sterke verhitten van geschikt mineraalhoudend materiaal, zoals gebrande vuursteenArcheologische tot honderdduizenden jaren oude gebeurtenissen; specialistische mogelijkheden kunnen verder reikenIn het laboratorium laat verhitting opgeslagen stralingsenergie als licht vrijkomenDateert een verhittingsgebeurtenis, ook buiten het gebruikelijke C-14-bereikDe eerdere lading moet voldoende zijn gewist; dosis en dosistempo moeten betrouwbaar worden gereconstrueerd. Een theoretisch groot bereik is geen garantie voor elk monster. [11][6]
Optisch gestimuleerde luminescentie, OSLHet laatste voldoende blootstellen van minerale korrels aan licht, doorgaans voorafgaand aan begravingGewone kwarts-OSL meestal binnen de laatste circa 150.000 jaar; bij lage dosistempo’s of specialistische technieken verderLicht wist het signaal; na begraving bouwt het opnieuw op; laboratoriumlicht maakt het meetbaarDateert sedimentafzetting wanneer organisch materiaal ontbreektOnvoldoende lichtblootstelling voor begraving en onzekerheid over het dosistempo kunnen de ouderdom beïnvloeden; signaalverzadiging begrenst het bereik. [11]
Elektronspinreso-nantie, ESROnder meer fossiel tandglazuur en geschikte kwartskorrels uit sedimentVaak vanaf circa 10.000 jaar; tandglazuur gewoonlijk tot ongeveer 1 miljoen jaar, sommige materialen verderMeet stralingsgeinduceerde paramagnetische centra en reconstrueert de opgenomen dosisKan fossielen zelf dateren, niet alleen omringend sedimentBereik is materiaalafhankelijk; uraniumopname of -verlies kan het dosistempo tijdens begraving veranderen. [6][11]

De keuze draait om de gebeurtenis: een TL-datum van gebrande vuursteen en een OSL-datum van het omringende sediment hoeven niet dezelfde gebeurtenis te meten. Een verschil is daarom niet automatisch een meetfout.

Casus: gebrande vuursteen bij Jebel Irhoud

Bij Jebel Irhoud leverde TL van gebrande vuurstenen, geassocieerd met resten van Homo sapiens, een ouderdom van 315.000 +/- 34.000 jaar op. De rechtstreeks gemeten gebeurtenis is het verhitten van de vuursteen; de betekenis voor de menselijke resten berust op hun archeologische samenhang. [11]

Dat voorbeeld laat zien waarom een betrouwbare associatie zo belangrijk is. Bij Sima de los Huesos in Atapuerca leverde een specialistische luminescentietechniek, single-grain TT-OSL, een ouderdom van 448.000 +/- 15.000 jaar voor de fossielhoudende afzetting. Zo’n specialistische toepassing mag niet worden voorgesteld als het normale bereik van alle OSL-monsters. [11]

4. U-Th, K-Ar en Ar-Ar: grotten en vulkanische tijdankers

Deze methoden gebruiken radioactieve omzetting, maar hebben verschillende geschikte materialen en klokstarts. Uranium-thorium volgt de ontwikkeling van uranium- en thoriumisotopen in carbonaat. Kalium-argon en argon-argon volgen de opbouw van argon uit kalium in geschikte gesteenten en mineralen. [12][8]

MethodeWat wordt gedateerd?Bruikbaar tijdsbereik, ongeveerKernprincipeSterke puntenBelangrijkste beperkingen
Uranium-thorium, U-ThDe vorming van carbonaat, zoals stalagmieten, stalactieten, travertijn en kalkafzettingenMeestal enkele eeuwen tot circa 500.000 jaarThorium-230 bouwt zich op binnen de vervalreeks van uraniumKan onder gunstige omstandigheden zeer precies zijn en reikt voorbij het C-14-bereikMeegekomen bodemdeeltjes en latere opname of verlies van uranium/thorium kunnen misleidende leeftijden geven; onzekerheid neemt toe bij de grens van de methode. [12]
Kalium-argon, K-ArHet afkoelen en vervolgens vasthouden van argon in geschikt kaliumhoudend vulkanisch materiaalVooral geologische tijdschalen; geen universele ondergrens: voldoende meetbaar radiogeen argon is vereistKalium-40 vervalt tot argon-40; bij hoge temperatuur kan argon ontsnappen, na afkoeling hoopt het zich opBelangrijk voor vulkanische gesteenten en tijdankers rond fossielhoudende afzettingenKalium en argon worden aan verschillende monstergedeelten gemeten; argonverlies of extra argon kan de uitkomst verstoren. [8]
Argon-argon, Ar-ArDezelfde soort afkoelingsgeschiedenis, vaak gemeten aan geselecteerde mineralenEveneens geologische tijdschalen; de USGS beschrijft onder meer een toepassing rond 70.000 jaarBestraling maakt argon-39 uit kalium; de argonisotopenverhouding levert de ouderdomVermijdt een deel van de afzonderlijke kalium- en argonmetingen; geschikt mineraal kan hoge precisie gevenVereist bestraling en geschikte monsters; argonverlies en extra argon blijven belangrijke risico’s. [8]

Voor K-Ar en Ar-Ar is een enkel algemeen ondergrensgetal weinig informatief: mineraalkeuze en meetbaar signaal zijn doorslaggevend. Een leeftijdsbereik hoort daarom bij een concrete toepassing en laboratoriumprocedure, niet alleen bij de naam van de techniek. [8]

Bij U-Th kan de precisie onder ideale omstandigheden minder dan 100 jaar bij een ouderdom van 10.000 jaar bedragen. Maar een zeer precieze kalkdatering is nog steeds een datum van de kalkvorming, niet automatisch van een nabijgelegen fossiel of menselijke activiteit. [12]

Casus: waarom Yellowstone-mineralen en vulkanisch glas verschillen

De USGS noemt sanidien uit rhyolitische as en lava van Yellowstone en Valles Caldera bijzonder geschikt voor argondatering. Het mineraal bevat relatief veel kalium, waardoor een sterk meetbaar argonsignaal kan ontstaan. [8]

Vulkanisch glas is minder vanzelfsprekend geschikt: het kan argon verliezen of extra argon vasthouden. Hetzelfde dateringsprincipe geeft dus niet voor ieder onderdeel van een gesteente dezelfde betrouwbaarheid. De praktische les is om mineraalselectie en eventuele latere verandering even serieus te nemen als de laboratoriummeting. [8]

5. Magnetisme, aminozuren en tefra: vergelijken met een geschiedenis

Niet iedere datering berust op een eenvoudige radioactieve klok. Magnetische methoden vergelijken een bewaard aardmagnetisch signaal met een bekende ontwikkeling. Aminozuurracemisatie volgt chemische verandering, terwijl tefrochronologie afzettingen verbindt via herkenbare vulkanische as. [12][5]

MethodeWat wordt gedateerd?Bruikbaar tijdsbereik, ongeveerKernprincipeSterke puntenBelangrijkste beperkingen
Paleomagnetisme en magnetostratigrafieMagnetisatie die bij gesteentevorming of sedimentatie is vastgelegdVan recente afzettingen tot miljarden jaren oude gesteenten, mits het signaal bewaard en herkenbaar isVergelijking met omkeringen, excursies en andere veranderingen van het aardmagnetische veldVerbindt sedimentreeksen en geologische gebeurtenissen over grote gebiedenEen magnetisch patroon heeft een betrouwbare koppeling met een tijdschaal nodig; een enkel signaal geeft niet vanzelf een unieke ouderdom. [12][13]
ArcheomagnetismeEen bewaard magnetisch signaal in archeologisch materiaal, vooral verhitte structurenVooral de laatste millennia; afhankelijk van de regionale referentiecurve. Een GFZ-model kan de laatste circa 8.000 jaar uit archeomagnetische en vulkanische gegevens oplossenVergelijking van richting en/of intensiteit met een gedateerde veldgeschiedenisKan een archeologische verhittingsgeschiedenis helpen dateren zonder organisch monsterReferentiedekking en modelonzekerheid begrenzen de uitkomst; niet iedere overeenkomst geeft een unieke datum. [16][12]
Aminozuurracemi-satie, AARChemische verandering van bewaarde aminozuren in bijvoorbeeld schelpenSterk afhankelijk van materiaal en temperatuur; toepassingen lopen van zeer recent tot circa 3 miljoen jaarNa de dood neemt de verhouding tussen D- en L-vormen van aminozuren toeNuttig voor fossielhoudende afzettingen, ook voorbij het C-14-bereikSoorten veranderen niet even snel; temperatuurgeschiedenis is essentieel. Vaak vooral geschikt voor vergelijking binnen een zorgvuldig opgebouwde referentiereeks. [12]
TefrochronologieDe koppeling van aslagen aan dezelfde vulkaanuitbarstingGeen vaste intrinsieke grens; de USGS gebruikt de methode onder meer voor miljoenen jaren oude afzettingenChemische kenmerken van vulkanisch glas vormen een “vingerafdruk”Verbindt ver uiteenliggende sedimentarchieven met dezelfde gebeurtenisDe identificatie moet kloppen en wordt getoetst aan petrografie, stratigrafie en chronologie; een numerieke leeftijd vereist een onafhankelijk gedateerde uitbarsting of aslaag. [5]

Deze methoden laten goed zien dat correleren niet hetzelfde is als zelfstandig een numerieke ouderdom meten. Een onbekende aslaag kan dankzij een betrouwbare overeenkomst wel de ouderdom van een elders gedateerde uitbarsting krijgen. [5]

Casus: magnetische strepen op de oceaanbodem

Magnetische patronen op de oceaanbodem konden worden vergeleken met een onafhankelijk gedateerde geschiedenis van magnetische omkeringen. De overeenkomst tussen een waargenomen profiel bij de East Pacific Rise en een berekend profiel over de laatste 4 miljoen jaar ondersteunde de interpretatie van zeebodemspreiding. [14]

Hier maken verschillende bewijslijnen elkaar sterker: isotopische ouderdommen verankeren de omkeringen, terwijl het magnetische patroon die tijdsinformatie ruimtelijk overdraagt. Het is dus niet de huidige veldsterkte die de ouderdom bepaalt. Het aardmagnetische veld fluctueert en keert onregelmatig om. [14][15]

Tefrochronologie werkt met een vergelijkbare verbinding tussen herkenning en onafhankelijke datering. Het USGS-project combineert ascorrelaties expliciet met isotopische leeftijden, magnetostratigrafie en laagvolgorde. De kracht zit in die combinatie, niet in de chemische vingerafdruk alleen. [5]

6. Methoden combineren en onzekerheid eerlijk rapporteren

Onderzoekers combineren gegevens het best rond een expliciete vraag: wanneer werd een constructie gebouwd, wanneer werd een sediment afgezet, of tussen welke gebeurtenissen leefde een organisme? Een numerieke datum wordt pas een historische of geologische uitspraak wanneer de relatie tussen monster en gebeurtenis duidelijk is. [2][8][7]

Een belangrijke formele aanpak is Bayesiaanse chronologische modellering. Daarbij vormen wetenschappelijke dateringen de meetinformatie, terwijl archeologische relaties als voorafgaande informatie worden ingebracht. Het resultaat is een gezamenlijke kansverdeling voor de onderzochte gebeurtenissen. Naast C-14 kunnen ook munten, historische bronnen, boomringen, luminescentie en archeomagnetisme worden opgenomen. [7]

Casus: twee graven die elkaar doorsnijden

Historic England gebruikt als voorbeeld een graf dat een ander graf doorsnijdt. Die waarneming levert een relatieve volgorde die onafhankelijk is van de C-14-metingen. In een model kan die volgorde helpen om de mogelijke kalenderperioden van de monsters te beperken. [7]

De verbetering is echter voorwaardelijk. Het model moet passen bij zowel de metingen als de archeologische interpretatie. Daarom onderzoeken specialisten afwijkende dateringen en voeren zij gevoeligheidsanalyses uit: verandert de uitkomst sterk wanneer een aanname verandert, dan moet die afhankelijkheid zichtbaar blijven. [7]

Onderdeel van de rapportageWat moet duidelijk zijn?Waarom is het belangrijk?
Monster en gebeurtenisMateriaal, herkomst en de gebeurtenis die de klok registreertVoorkomt verwarring tussen bijvoorbeeld ringgroei, kap en bouw. [2]
Meetuitkomst en tijdschaalDe gemeten ouderdom en eenheid; bij C-14 onderscheid tussen BP en gekalibreerde kalendertermenEen conventionele C-14-ouderdom is niet rechtstreeks een kalenderdatum. [4]
Interval en kansniveauHet volledige interval, het bijbehorende kansniveau en eventueel afzonderlijke mogelijke periodenEen centrale waarde alleen verbergt de vorm van de kansverdeling. [4][7]
Correcties en behandelingOnder meer voorbehandeling, kalibratie en relevante reservoircorrectieDeze keuzes kunnen systematische verschuivingen voorkomen of veroorzaken. [3]
ModelaannamesGebruikte volgordes, relaties, afwijkende resultaten en gevoeligheidEen smaller interval is alleen overtuigend als het model passend is. [7]

Een goede rapportage maakt dus onderscheid tussen meetonnauwkeurigheid, correcties en modelkeuzes, en onzekerheid over wat het monster vertegenwoordigt. Vooral die laatste onzekerheid verdwijnt niet door nog meer decimalen te publiceren.

Een notatie als “+/-” moet bovendien worden toegelicht: welke onzekerheid wordt bedoeld en welk kansniveau hoort erbij? Bij gekalibreerde en gemodelleerde dateringen is het vaak informatiever de volledige kansintervallen te geven dan een enkel gemiddeld jaartal. Historic England beschrijft daarvoor onder meer Highest Posterior Density-intervallen. [4][7]

7. Synthese: kies de klok die de juiste gebeurtenis meet

De methoden verschillen langs drie hoofdlijnen: welke gebeurtenis ze registreren, welke tijdschaal ze bestrijken en welke aannames hun betrouwbaarheid bepalen. Een methode met een groter bereik is daardoor niet automatisch geschikter, en een preciezer getal is niet automatisch een betere historische conclusie.

OnderzoeksdoelVooral passende benaderingBelangrijkste afweging
Volgorde van bewoning, bouw of afzettingStratigrafie, typologie en kruisdateringSterke contextuele samenhang, maar niet vanzelf kalenderjaren. [10]
Kalenderdatering van houtDendrochronologieZeer hoge precisie bij een passende referentie en voldoende buitenste ringen. [2][10]
Datering van organische restenC-14 met kalibratieBreed toepasbaar, maar begrensd door meetbereik, koolstofherkomst en conservering. [3]
Begraving of verhitting buiten het C-14-bereikOSL, TL en waar passend ESRDe juiste klokstart en stralingsgeschiedenis zijn doorslaggevend. [11]
Carbonaatvorming en vulkanische gebeurtenissenU-Th, K-Ar en Ar-ArSterke numerieke tijdankers, maar afhankelijk van geschikt materiaal en een behouden isotopisch systeem. [12][8]
Afzettingen tussen vindplaatsen verbindenMagnetostratigrafie, tefrochronologie en zorgvuldig opgebouwde aminozuurreeksenHerkenning draagt tijdsinformatie over; de referentie en onafhankelijke verankering blijven essentieel. [12][5]

De belangrijkste spanning is die tussen precisie en betekenis. Een exact jaarringjaar kan minder direct zeggen wanneer een gebouw is opgericht dan een ruimer interval van goed bij de bouw behorende monsters. Omgekeerd kan een breed inzetbare methode weinig helpen als het monster niet betrouwbaar bij de onderzochte gebeurtenis hoort. [2][7]

De sterkste chronologie ontstaat daarom niet uit zoveel mogelijk dateringen, maar uit goed gekozen, onderling verbonden gegevens. Begin met de vraag en de context, kies vervolgens geschikte monsters en methoden, en eindig met een ouderdom waarvan zowel de betekenis als de onzekerheid helder is.

Referenties

  1. The IntCal20 Northern Hemisphere radiocarbon age calibration curve (0-55 kcal BP) – ORA – Oxford University Research Archive ora.ox.ac.uk
  2. historicengland.org.uk historicengland.org.uk
  3. historicengland.org.uk historicengland.org.uk
  4. radiocarbon.arch.ox.ac.uk radiocarbon.arch.ox.ac.uk
  5. usgs.gov usgs.gov
  6. Electron Spin Resonance | CENIEH cenieh.es
  7. historicengland.org.uk historicengland.org.uk
  8. usgs.gov usgs.gov
  9. News – Coins and Archaeology – Archaeological Institute of America archaeological.org
  10. How do Archeologists know how old a site is? (U.S. National Park Service) nps.gov
  11. pnas.org pnas.org
  12. historicengland.org.uk historicengland.org.uk
  13. pnas.org pnas.org
  14. Magnetic stripes and isotopic clocks This Dynamic Earth, USGS pubs.usgs.gov
  15. Can the earth be dated from decay of its magnetic field?. pubs.usgs.gov
  16. ResearchInfrastructure@GFZ | ArchKalmag14k – Correlation based model of the holocene core field, based on archeomagnetic and volcanic data research-infrastructure.gfz.de

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *