Kernantwoord in het kort
- Twee Betekenissen Van Eeuwigheid: Eindeloze tijdsduur en tijdloosheid zijn verschillende begrippen. Boëthius onderscheidt ze uitdrukkelijk. -> De voorgestelde tweedeling kan pas worden beoordeeld als duidelijk is welke betekenis wordt bedoeld. [5]
- Geen Wachttijd Voor De Schepping: Volgens Augustinus schept God ook de tijd. -> Binnen die visie bestaat geen voorafgaande periode waarin God zonder wereld zit te wachten. [12]
- Geen Onderbreking Van Bestaan: Zelfs wanneer Gods leven temporeel wordt gedacht, volgt uit het ontstaan van een wereld niet dat God ophoudt te bestaan. -> Onderscheid een nieuwe bestaanssituatie van een onderbreking van het bestaan zelf.
- Drie Verschillende Veranderingen: Verandering in schepselen, verandering in Gods relaties en intrinsieke verandering in God vallen niet vanzelf samen. Thomas maakt juist dit onderscheid bij namen als Schepper en Heer. -> Een nieuwe relatie bewijst nog geen innerlijke verandering. [1]
- Abraham Stelt Een Werkelijk Probleem: Genesis 18 vertelt een opeenvolgend gesprek waarin Abraham pleit en God antwoordt. -> De discussie gaat niet over de aanwezigheid van interactie in het verhaal, maar over wat die interactie over Gods eigen zijnswijze impliceert. [4]
- Alternatieven Verplaatsen De Moeilijkheid: Temporeel en open theïsme geven meer ruimte aan goddelijke opeenvolging en wederkerigheid; open theïsme verbindt dit met een gedeeltelijk open toekomst. -> Beoordeel ook de gevolgen voor voorkennis en voorzienigheid. [2]
- Craig Verdedigt Geen Twee Tijdloosheden: Zijn model is tijdloos zonder schepping en temporeel met schepping. -> Dat is een overgangsmodel, niet een eenvoudige verdeling van één tijdloos bestaan in twee tijdloze perioden. [2]
1. Eeuwigheid betekent niet noodzakelijk oneindig veel tijd
De formulering “van eeuwigheid tot eeuwigheid” komt voor in Psalm 90:2. Dezelfde psalm vergelijkt duizend jaren voor God met een voorbijgegane dag. Deze taal plaatst Gods bestaan tegenover de beperktheid van menselijke tijd. De verzen geven echter niet op zichzelf een technische definitie van Gods verhouding tot tijd. [13]
Voor de filosofische vraag moeten ten minste drie begrippen worden onderscheiden:
| Begrip | Betekenis | Betekenis van schepping |
|---|---|---|
| Beginloze en eindeloze tijdsduur | Gods leven heeft opeenvolging, maar geen eerste of laatste moment. | Schepping kan een gebeurtenis binnen dat doorgaande leven zijn. |
| Omnitemporaliteit | God bestaat op ieder werkelijk tijdstip. Dit bepaalt nog niet of de tijd zelf een eerste moment heeft. | Als tijd begint, is God op ieder tijdstip aanwezig zonder dat een eerdere tijdsperiode hoeft te bestaan. |
| Tijdloosheid | Gods leven bestaat niet uit elkaar opvolgende momenten. | Schepping kan niet letterlijk een eerder en later deel van Gods eigen tijdloze leven afbakenen. |
De academische literatuur onderscheidt overeenkomstig een God die op alle tijden bestaat van een God die niet temporeel bestaat. Binnen beide hoofdrichtingen bestaan verdere varianten. [2] De beslissende tegenstelling is dus niet “heel kort” tegenover “oneindig lang”, maar wel of geen opeenvolging in Gods eigen leven.
Boëthius maakt dit bijzonder duidelijk. Een leven dat eindeloos voortduurt, bezit zijn toekomst nog niet en heeft zijn verleden al achter zich. Gods eeuwigheid beschrijft hij daarentegen als het volledige, gelijktijdige bezit van onbegrensd leven. Zijn “gelijktijdig” moet hier niet worden opgevat als één uitzonderlijk lang tijdstip op een klok. Het drukt uit dat Gods leven niet stukje voor stukje wordt doorlopen. [5]
Daarom is ook “God heeft eeuwig zonder schepping bestaan” dubbelzinnig. Het kan betekenen dat er eindeloos veel tijd zonder wereld verstreek. Maar het kan ook betekenen dat God niet van de wereld afhankelijk is en zonder wereld tijdloos zou bestaan. Craig gebruikt juist daarom “zonder schepping” in plaats van letterlijk “vóór de schepping”. [2]
De eerste correctie op de vraag luidt dus: een tijdloze eeuwigheid kan niet worden behandeld alsof zij een oneindige tijdlijn is waarin de schepping een streep trekt. Wie zo’n tijdlijn wil verdedigen, kiest al voor een temporele interpretatie.
2. Augustinus, Boëthius en Thomas: de tijd behoort tot de schepping
Augustinus: God wacht niet totdat Hij gaat scheppen
In Confessiones XI onderzoekt Augustinus vrijwel precies de moeilijkheid achter de vraag: hoe kan een onveranderlijke God een wereld voortbrengen die niet altijd bestaat? Hij onderkent dat een nieuw opkomende goddelijke wil problematisch zou zijn wanneer Gods wil tot Gods eigen wezen behoort. [8]
Zijn antwoord bestaat niet uit een oneindig lange voorbereidende periode. God heeft volgens hem alle tijd gemaakt. Daarom was er geen tijd waarin God nog niets had gemaakt: zo’n tijd zou zelf al iets geschapens zijn. Gods “heden” is eeuwigheid, niet een vandaag dat morgen verdwijnt. [12]
Op de vraag “Waarom schiep God niet eerder?” antwoordt dit model dus dat er geen eerder tijdstip beschikbaar was. De schepping begint niet na een verstreken hoeveelheid goddelijke wachttijd. Het begin van de geschapen werkelijkheid omvat het begin van haar tijd. Dit is een theologisch-metafysische oplossing, geen neutraal vastgesteld feit dat iedere filosofische visie moet aanvaarden.
Boëthius: Gods kennis doorloopt de geschiedenis niet
In De consolatione philosophiae V, proza 6, onderscheidt Boëthius eeuwigheid van eindeloos voortbestaan. Zelfs een wereld zonder temporeel einde zou daarmee nog niet eeuwig zijn op de wijze waarop God eeuwig is. Het ene betreft voortduren; het andere betreft het gehele leven zonder opeenvolgend verlies en verwerving. [5]
Dat onderscheid bepaalt ook zijn verklaring van Gods kennis. God wisselt volgens dit model niet telkens van kennis wanneer mensen andere dingen gaan doen. Gods kennen omvat hun veranderingen zonder zelf op overeenkomstige wijze te veranderen. [5] Dat gebeurtenissen voor God tegenwoordig zijn, betekent in deze uitleg niet dat die gebeurtenissen binnen de geschiedenis allemaal tegelijk plaatsvinden.
Thomas: een begin in de wereld is niet een begin in Gods bestaan
Thomas verbindt eeuwigheid met onveranderlijkheid: wat werkelijk eeuwig is, kent geen opeenvolging. In zijn klassieke model komt deze eeuwigheid in eigenlijke zin aan God toe. [15]
Tegelijk maakt hij een belangrijk onderscheid tussen geschapen zijn en een aantoonbaar eerste tijdstip hebben. In Summa theologiae I, vraag 46, stelt hij dat het temporele begin van de wereld volgens hem door geloof wordt aangenomen, maar niet demonstratief uit de rede kan worden bewezen. Dat de wereld afhankelijk is van Gods wil, levert dus niet zonder meer een filosofisch bewijs van haar temporele begin. [3]
Over het scheppingsbegin zegt hij bovendien dat hemel en aarde samen met de tijd worden geschapen. Tijd is geen vooraf aanwezige maat waarbinnen God eerst besluit en vervolgens handelt. [3]
Deze drie denkers delen daarmee een hoofdgedachte: de tijdsorde van de wereld is niet vanzelf de levensorde van God. Hun antwoord op de tweedeling is niet dat God de onderbreking overleeft, maar dat de veronderstelde onderbreking Gods tijdloze bestaan verkeerd voorstelt.
3. Drie soorten verandering: wereld, relatie en Gods eigen toestand
De stap van “er gebeurt iets nieuws” naar “God verandert intrinsiek” vereist een argument. Dat wordt zichtbaar wanneer drie soorten verandering afzonderlijk worden bekeken.
| Soort verandering | Voorbeeld | Wat daaruit wel en niet volgt |
|---|---|---|
| Verandering in de schepping | Abraham spreekt; een mens wordt geboren; een bedreigd onheil blijft uit. | De wereld heeft verschillende toestanden. Daarmee is nog niet vastgesteld dat Gods innerlijke toestand verandert. |
| Verandering in Gods relaties tot de schepping | Er bestaat een wereld waarvan God Schepper is; een mens gaat God aanroepen. | Nieuwe relationele uitspraken kunnen waar worden. Of daarvoor iets in God zelf moet veranderen, is omstreden. |
| Intrinsieke verandering in God | God verwerft kennis die Hij eerder niet had, of herziet werkelijk een voornemen. | Gods eigen leven bevat verschillende toestanden. Dit staat op gespannen voet met strikte tijdloosheid en klassieke onveranderlijkheid. |
Thomas verdedigt nadrukkelijk de mogelijkheid van de tweede soort zonder de derde. Namen die een betrekking tot schepselen uitdrukken, kunnen volgens hem tijdelijk op God van toepassing zijn wegens verandering aan de kant van het schepsel, niet wegens verandering in God. [1] De tabel onderscheidt dus geen drie woorden voor hetzelfde, maar drie verschillende metafysische claims.
Het geval “God wordt Schepper”
Stel dat de wereld een begin heeft. Dan bestaat er vanaf dat begin een geschapen werkelijkheid. Daaruit volgt dat er nu een wereld is die van God afhankelijk is; het volgt niet onmiddellijk dat God een nieuwe kracht, gedachte of eigenschap in zijn innerlijke wezen heeft gekregen.
Thomas formuleert dit scherper dan veel hedendaagse lezers zouden doen: schepselen hebben een werkelijke betrekking tot God, terwijl Gods betrekking tot schepselen volgens hem een betrekking “in het denken” is. [1] Dat betekent binnen zijn theorie niet dat schepselen of Gods handelen verzonnen zijn. Het betekent dat de afhankelijkheid niet wederzijds is: de wereld ontvangt haar bestaan van God, terwijl God zijn bestaan niet van de wereld ontvangt.
Hier ligt wel een belangrijk discussiepunt. Een temporeel theïst kan tegenwerpen dat echte wederkerigheid méér inhoudt dan nieuwe uitspraken over een onveranderlijke God. Wanneer God werkelijk iets nieuws hoort en daardoor anders besluit, lijkt sprake van een intrinsieke verandering. Juist zulke dynamische relaties krijgen in open theïsme een centrale plaats. [11]
Thomas’ tweede onderscheid helpt zijn eigen positie begrijpen: een veranderende wil hebben is iets anders dan verandering willen. Een onveranderlijke bedoeling kan gericht zijn op een wereld waarin achtereenvolgens verschillende dingen gebeuren. [10]
De vraag is daarom niet alleen of Gods relatie tot de wereld verandert, maar of die relatie noodzakelijk nieuwe kennis, gevoelens of beslissingen in God voortbrengt. Dat laatste is precies wat de klassieke visie ontkent en haar critici moeten verdedigen.
4. Abraham en Mozes: echte dialoog, verschillende metafysische lezingen
Abraham: Genesis 18 bevat meer dan een abstracte verhouding
Genesis 18 vertelt dat de Heer aan Abraham verschijnt en dat Abraham drie mannen ziet. Het hoofdstuk bevat een belofte over de geboorte van een zoon en vervolgens het gesprek over Sodom. [4] Bij dat laatste pleit Abraham ervoor de rechtvaardigen niet met de goddelozen te vernietigen. Hij begint bij vijftig rechtvaardigen en komt uiteindelijk bij tien; God antwoordt dat Hij de plaats ter wille van dat aantal zal sparen. [4]
Het verhaal heeft onmiskenbaar een temporele structuur: Abraham vraagt, God antwoordt, Abraham vraagt verder. Maar er is een belangrijk detail. Het gesprek toont niet zonder meer dat God een eerder vaststaand, onvoorwaardelijk besluit intrekt. De antwoorden zijn voorwaardelijk: als het betreffende aantal rechtvaardigen wordt gevonden, zal de plaats worden gespaard. [4]
Dat onderscheid begrenst wat de passage bewijst. Zij ondersteunt de voorstelling van een God tot wie een mens zich werkelijk kan richten. Zij beslist niet op zichzelf of God daardoor nieuwe informatie ontvangt of een tevoren onbekende reden ontdekt.
Mozes: Exodus 32 maakt de spanning scherper
Exodus 32:9-14 beschrijft een nog duidelijker geval. God dreigt het volk te vernietigen; Mozes doet voorbede en beroept zich onder meer op Gods beloften aan de aartsvaders. Vervolgens staat er dat de Heer afziet van het aangekondigde onheil. [6]
Hier moet de uitleg recht doen aan de beweging van het verhaal. Het is onvoldoende eenvoudig te zeggen dat “er niets verandert”: het aangekondigde handelen en de uitkomst verschillen. De toelichting bij de gebruikte Bijbeleditie verbindt deze passage uitdrukkelijk met de kracht van voorbede. [6]
Er zijn vervolgens verschillende interpretaties mogelijk:
| Lezing | Wat gebeurt er bij Abraham of Mozes? | Waar ligt de moeilijkheid? |
|---|---|---|
| Klassiek-tijdloos | God kent het gebed tijdloos en wil tijdloos het antwoord; de gebeurtenissen en hun samenhang ontvouwen zich in de wereld. | Kan dit voldoende recht doen aan aanspreekbaarheid en wederkerigheid? |
| Temporeel, zonder noodzakelijk open toekomstmodel | God leeft mee in een werkelijke opeenvolging van verzoek en antwoord. | Hoe verhouden deze opeenvolging en eventuele volledige voorkennis zich tot een werkelijk nieuw antwoord? |
| Open-theïstisch | God betrekt menselijke handelingen werkelijk bij zijn verdere handelen; bepaalde toekomstige uitkomsten staan nog open. | Hoe moeten alwetendheid en de zekerheid van Gods plannen worden begrepen? |
Deze lezingen verklaren verschillende aspecten van dezelfde spanning; de verhaalde opeenvolging kiest niet automatisch één ervan. De klassieke uitleg onderscheidt de opeenvolging van gevolgen van een opeenvolging in Gods handelen zelf, terwijl open theïsme juist de dynamische wederkerigheid benadrukt. [9][11]
Een klassiek antwoord hoeft gebed daarom niet tot toneelspel te verklaren. Het stelt dat God het antwoord juist als antwoord op het gebed wil, zonder eerst onwetend en vervolgens geïnformeerd te worden. Thomas verstaat taal over goddelijk berouw overeenkomstig niet als een letterlijke herziening van Gods eeuwige wil. [9][10]
De prijs van die uitleg is dat de menselijke woorden “antwoorden” en “berouw hebben” niet zonder meer in hun gewone psychologische betekenis op God worden toegepast. De prijs van een letterlijker temporele uitleg is dat klassieke onveranderlijkheid moet worden herzien. Geen van beide stappen is interpretatief kosteloos.
5. Temporeel theïsme, open theïsme en Craigs tussenpositie
Temporeel theïsme: eeuwig bestaan kan een geschiedenis hebben
Temporeel theïsme begrijpt Gods leven als een bestaan met opeenvolging. Een duidelijke variant stelt dat God op alle tijden bestaat, successie ervaart en een onbegrensd verleden en een onbegrensde toekomst heeft. [2] In zo’n model kan God eerst zonder wereld en vervolgens met wereld bestaan, mits er inderdaad een goddelijke tijd zonder wereld wordt aangenomen.
Toegepast op Mozes betekent dit dat het gesprek ook in Gods eigen leven een werkelijke opeenvolging kan zijn. Daaruit volgt nog niet dat Gods bestaan wordt onderbroken. Evenmin volgt uit veranderende kennis of handelingen logisch dat Gods identiteit, goedheid of trouw moet verdwijnen. De eigenschappen die veranderen moeten afzonderlijk worden benoemd.
Temporeel theïsme is bovendien niet hetzelfde als open theïsme. De eerste positie betreft Gods verhouding tot tijd. De tweede doet daarnaast specifieke uitspraken over vrije handelingen, toekomst en voorkennis. [2]
Open theïsme: de wederkerigheid omvat een gedeeltelijk open toekomst
Open theïsme verbindt Gods liefde met ruimte voor vrije menselijke antwoorden. Menselijke handelingen kunnen volgens dit model werkelijk van invloed zijn op Gods verdere plannen en handelen. De toekomst is daarbij gedeeltelijk open, niet in alle opzichten vastgelegd. [11]
Het gesprek met Mozes kan dan worden gelezen als een ontmoeting die werkelijk verschil maakt voor wat God vervolgens doet. Een gebruikelijke verdediging van Gods alwetendheid luidt dat God alles weet wat kenbaar is, maar dat toekomstige vrije keuzes nog niet als vaststaande feiten bestaan. God kent de mogelijkheden, zonder dat er al één volledig bepaalde toekomstige geschiedenis te kennen is. [11]
De winst is een directe uitleg van wederkerigheid en gebed. De moeilijkheid verschuift naar voorzienigheid: hoeveel onzekerheid en risico zijn verenigbaar met Gods macht en beloften? Critici bestrijden zowel de uitleg van de relevante Bijbelteksten als de herinterpretatie van voorkennis. [11] Open theïsme is dus een serieuze alternatieve positie, geen vanzelfsprekende oplossing zonder nieuwe problemen.
William Lane Craig: tijdloos zonder, temporeel met schepping
Craig verdedigt een hybride model: God is tijdloos zonder schepping en temporeel vanaf het scheppingsbegin. Hij onderscheidt daarbij feitelijk niet veranderen van niet kunnen veranderen. Gods tijdloosheid zonder wereld hoeft volgens hem geen onveranderlijke essentiële eigenschap te zijn. [2][14]
Zijn gedachte-experiment over tellen verduidelijkt dit. Als God vóór de wereld zou aftellen, zou er al opeenvolging van mentale toestanden zijn. Tijd zou dan met de eerste telhandeling beginnen, niet pas met de materiële schepping. Er is dus geen tijdloos aftellen naar het begin. [14]
Het bezwaar is dat ook “tijdloos zijn en vervolgens temporeel worden” een overgang lijkt te beschrijven die al eerder en later veronderstelt. De academische discussie signaleert precies deze moeilijkheid. [2] Craig ontkent dat verandering reeds bestaande tijd vereist; volgens zijn relationele tijdsopvatting brengt de eerste gebeurtenis tijd mee. [14]
Zijn model ligt dicht bij de intuïtie achter de vraag, maar levert geen twee tijdloze eeuwigheden op. Het combineert een tijdloze wijze van bestaan zonder schepping met een temporele wijze van bestaan met schepping. Of die combinatie coherent is, blijft het geschilpunt.
6. Welke premissen zijn nodig om Gods eeuwigheid te verdelen?
De oorspronkelijke redenering kan nu nauwkeuriger worden gereconstrueerd. Zij bevat een begrijpelijke intuïtie: het maakt verschil of er wel of geen wereld bestaat. Maar niet iedere conclusie die daarop wordt gebouwd, volgt daaruit.
Voor een indeling in twee temporele fasen zijn ongeveer de volgende aannamen nodig:
| Premisse | Waarom zij nodig is | Waar het geschil zit |
|---|---|---|
| 1. Gods eigen leven is temporeel geordend. | Alleen dan kan sprake zijn van opeenvolgende levensfasen. | Klassieke tijdloosheid ontkent dit. |
| 2. Er is werkelijk goddelijke tijd zonder schepping. | Anders is “zonder schepping” geen voorafgaande tijdsperiode. | Augustinus ontkent voorafgaande geschapen tijd; Craig spreekt daarom van “zonder”, niet letterlijk “ervoor”. |
| 3. De wereld begint binnen die goddelijke tijd. | Daardoor ontstaat een grens tussen een wereldloze en een wereldbevattende situatie. | Dat de wereld een eerste moment heeft, is niet hetzelfde als dat zij begint binnen een oudere goddelijke tijd. |
| 4. Beide situaties worden afzonderlijke ‘eeuwigheden’ genoemd. | Dit levert de uitdrukking “twee eeuwigheden” op. | Dat woordgebruik is niet vanzelf de klassieke betekenis van eeuwigheid. |
De bronnen laten zien dat juist de eerste twee aannamen omstreden zijn. Augustinus situeert geen tijd vóór de geschapen tijd; Craig waarschuwt eveneens tegen een letterlijk temporeel “vóór” zijn tijdloze toestand. [12][2] De tabel maakt daarmee zichtbaar dat de redenering niet neutraal tussen de verschillende godsbeelden staat.
Als de premissen worden aangenomen, kan men schematisch zeggen:
God zonder wereld | scheppingsgebeurtenis | God met wereld
Maar dan volgen drie beperkingen.
Ten eerste: twee fasen zijn geen twee tijdloze eeuwigheden. Ze zijn delen van één temporeel geordend bestaan. Beide kunnen een oneindige duur hebben, terwijl het eerste deel een einde en het tweede een begin heeft. Zij zijn dan niet allebei beginloos én eindeloos.
Ten tweede: voor intrinsieke verandering is een extra premisse nodig. Men moet aannemen dat een nieuwe betrekking tot een wereld noodzakelijk een nieuwe toestand in God zelf veroorzaakt. Thomas ontkent juist die noodzakelijkheid. [1] Een verandering in wat over God en de wereld samen waar is, is nog niet zonder argument een verandering in Gods eigen innerlijk.
Ten derde: voor een onderbreking van Gods bestaan is nog méér nodig. Er zou een ophouden te bestaan, een bestaansgat of een einde van hetzelfde bestaande subject moeten zijn. Dat volgt niet uit scheppen, spreken of antwoorden. Een toestand kan eindigen zonder dat degene die in die toestand verkeerde ophoudt te bestaan.
De redenering is daarom het sterkst als kritiek op tijdloosheid of onveranderlijkheid. Als bewijs dat Gods bestaan zelf wordt onderbroken, is zij ontoereikend. Ze verwisselt dan het einde van “zonder wereld bestaan” met het einde van “bestaan”.
7. Synthese: de echte vraag betreft wederkerigheid, niet een bestaansgat
De belangrijkste modellen verschillen op meerdere dimensies:
| Model | Gods verhouding tot tijd | Verandering en interactie | Voornaamste winst | Voornaamste spanning |
|---|---|---|---|---|
| Klassiek theïsme | Geen opeenvolging in Gods eigen leven. | Veranderende schepselen en tijdelijke effecten van een niet-veranderende goddelijke werkelijkheid. | Gods bestaan en kennen hangen niet af van het verloop van de wereld. | Hoe is werkelijke wederkerigheid mogelijk zonder nieuwe goddelijke toestanden? [5][1] |
| Temporeel theïsme | Gods leven kent opeenvolging. | Interactie kan ook een geschiedenis in Gods leven zijn. | Verzoek, antwoord en handelen krijgen een direct temporele uitleg. | Welke kennis en eigenschappen veranderen, en welke blijven dezelfde? [2] |
| Open theïsme | Dynamische relatie met een gedeeltelijk open toekomst. | Menselijke vrijheid kan Gods verdere handelen mede bepalen. | Sterke nadruk op wederkerigheid en betekenisvolle menselijke invloed. | Hoe moeten voorkennis, risico en voorzienigheid worden begrepen? [11] |
| Craig | Tijdloos zonder, temporeel met schepping. | De eerste gebeurtenis brengt temporaliteit mee. | Probeert tijdschepping met werkelijke temporele interactie te verbinden. | Is een overgang vanuit tijdloosheid coherent? [2][14] |
De vergelijking laat zien dat de modellen niet simpelweg kiezen tussen “God handelt” en “God handelt niet”. Ze verschillen vooral over de wijze waarop handelen aan God toekomt, over de betekenis van reageren en over de verhouding tussen kennis en een veranderende wereld.
Daarbij ontstaat een niet-triviale spanning. Het klassieke model beschermt Gods onafhankelijkheid, maar moet uitleggen hoe antwoorden werkelijk antwoorden zijn zonder innerlijke overgang. Open theïsme maakt die overgang begrijpelijker, maar moet uitleggen hoe een deels onbesliste toekomst zich verhoudt tot betrouwbare voorzienigheid. Craigs model probeert beide intuïties te bewaren, maar maakt daardoor de grens tussen tijdloos en temporeel bestaan zelf tot probleem.
Het uiteindelijke antwoord is daarom voorwaardelijk, maar duidelijk. Bij tijdloosheid deelt de schepping Gods eeuwigheid niet in tweeën: er bestaat geen goddelijke tijdlijn die zij kan doorsnijden. Bij eindeloze temporele duur kan de schepping twee verschillende fasen markeren, maar zij onderbreekt daarmee niet Gods bestaan. En uit de interactie met Abraham of Mozes volgt pas intrinsieke verandering wanneer men toevoegt dat echte interactie noodzakelijk nieuwe kennis, ervaringen of besluiten in God inhoudt.
De scherpste versie van de oorspronkelijke vraag luidt dus niet: “Hoe kan God blijven bestaan nadat zijn eeuwigheid is onderbroken?” Zij luidt: “Kan een tijdloze en intrinsiek onveranderlijke God werkelijk wederkerig met een veranderlijke wereld omgaan?” Dat is een wezenlijk filosofisch-theologisch probleem. De klassieke traditie, temporeel theïsme, open theïsme en Craig beantwoorden het verschillend; de formulering “twee eeuwigheden” beslist die discussie nog niet.
Referenties
- SUMMA THEOLOGIAE: The names of God (Prima Pars, Q. 13) newadvent.org
- Eternity in Christian Thought (Stanford Encyclopedia of Philosophy) plato.stanford.edu
- Summa Theologica ccel.org
- bible.usccb.org bible.usccb.org
- The Consolation of Philosophy, by Boethius monadnock.net
- bible.usccb.org bible.usccb.org
- Foreknowledge and Free Will (Stanford Encyclopedia of Philosophy) plato.stanford.edu
- Book XI – The Confessions of Saint Augustine sacred-texts.com
- God and Time | Internet Encyclopedia of Philosophy iep.utm.edu
- SUMMA THEOLOGIAE: The will of God (Prima Pars, Q. 19) newadvent.org
- Open Theism | Internet Encyclopedia of Philosophy iep.utm.edu
- CHURCH FATHERS: Confessions, Book XI (St. Augustine) newadvent.org
- bible.usccb.org bible.usccb.org
- God, Time, and Change | Reasonable Faith reasonablefaith.org
- SUMMA THEOLOGIAE: The eternity of God (Prima Pars, Q. 10) newadvent.org

Geef een reactie