Kerninzichten

  • Geen Doorlopende Kalender: Athas behoudt de uitleg van de ‘weken’ als perioden van zeven jaar, maar verwerpt de noodzaak om alle zeventig weken achter elkaar te plaatsen. -> Zijn oplossing moet worden gelezen als een schema met overlapping, niet als een ononderbroken aftelling van 490 jaar. [1]
  • De Eindvorm Als Uitgangspunt: Hij leest verhalen en visioenen eerst als een samenhangend literair geheel. -> De betekenis van de getallen moet volgens hem aansluiten bij het narratieve kader van het hele boek. [1]
  • Twee Verschillende Gezalfden: De gezalfde leider van Daniël 9:25 hoeft niet dezelfde persoon te zijn als de gezalfde die in 9:26 wordt afgesneden. -> Dit maakt een onderscheid mogelijk tussen hersteld leiderschap bij de terugkeer en de dood van Onias III. [1]
  • Onias Als Historisch Scharnier: Athas plaatst de dood van Onias III hypothetisch rond augustus 170 v.Chr. -> De overgang naar de laatste week berust daarmee mede op een historische reconstructie, niet op een onomstreden datering. [1]
  • Terugkeer Zonder Volledig Herstel: De repatriatie van 538 v.Chr. beëindigt volgens deze uitleg niet de eigenlijke ballingschap, omdat vreemde overheersing voortduurt. -> Herstel krijgt een politieke en theologische betekenis die verder gaat dan terugkeer naar het land. [1]
  • Chronologie Met Redactionele Gevolgen: Athas meent dat het schema van hoofdstuk 9 verklaart waarom hoofdstuk 1 in 605 v.Chr. begint. -> Hij gebruikt zijn uitleg ook als argument voor de latere vormgeving van de inleiding van Daniël. [1]
  • Verklaringskracht Met Een Prijs: Athas erkent dat zijn voorstel niet intuïtief is en ‘mathematische en historische gymnastiek’ vergt. -> De vermeende grotere precisie moet worden afgewogen tegen de ongebruikelijke zinsindeling, de overlapping en de onzekerheden rond Onias. [1]

1. Doel en methode: eerst de literaire samenhang

George Athas onderzoekt in In Search of the Seventy ‘Weeks’ of Daniel, verschenen in Journal of Hebrew Scriptures 9, artikel 2, een berucht interpretatieprobleem: hoe moeten de zeventig ‘weken’ van Daniël 9 worden verbonden met de geschiedenis? Hij opent met Montgomery’s omschrijving van dit onderzoeksgebied als het ‘Dismal Swamp’ van de oudtestamentische kritiek. Zijn doel is niet alleen een andere berekening te presenteren, maar vooral aannames zichtbaar te maken die eerdere oplossingen sturen. [1]

Zijn uitgangspunt is synchronisch: hij leest de eindvorm van Daniël als een betekenisvol geheel. Dat sluit uiteenlopende ontstaansgeschiedenissen van de verhalende en visionaire gedeelten niet uit. Voor de uitleg krijgen mogelijke eerdere versies echter niet het eerste woord. Eerst moet duidelijk worden hoe de overgeleverde tekst zelf zijn gebeurtenissen, tijdsaanduidingen en verwachtingen ordent. [1]

Dit is vooral belangrijk bij de datering van Daniëls deportatie. Daniël 1:1 situeert de belegering door Nebukadnezar en Daniëls wegvoering in het derde regeringsjaar van Jojakim, binnen het verhaal ongeveer 606/605 v.Chr. Athas onderscheidt deze narratieve datering van de vraag of de beschreven gebeurtenissen historisch precies zo kunnen worden gereconstrueerd. In zijn uiteindelijke berekening wordt 605 het beginpunt van de 62 weken. [1]

Daniël 9 speelt in het eerste jaar van Darius de Mediër, na de val van Babylon in 539 v.Chr., dus narratief in 539/538 v.Chr. Daniël bestudeert Jeremia’s uitspraak over zeventig jaar van Jeruzalems verwoesting. Daarmee staat de vraag op de achtergrond of het einde van de ballingschap nabij is. Het getal zeventig heeft volgens Athas niet uitsluitend een rekenkundige functie: het verbeeldt ook een volledige maar begrensde periode van verwoesting. [1]

Gabriëls antwoord herneemt dat getal als zeventig ‘zevens’. Athas wil de uitleg daarvan laten voortkomen uit de spanning tussen verwoesting, terugkeer en nog uitblijvend herstel. De inzet van zijn methode is dus dat chronologie en theologie samen gelezen worden, zonder de narratieve tijdsaanduidingen onmiddellijk als moderne geschiedschrijving te behandelen.

2. Traditionele problemen en vier getoetste aannames

Athas verbindt het ‘woord’ om terug te keren en Jeruzalem te herbouwen in Daniël 9:25 met Cyrus’ repatriatiebesluit van 538 v.Chr. Bij de gebruikelijke lezing ontstaan vervolgens problemen. Zeven jaarweken zijn 49 jaar; gerekend vanaf 538 eindigen ze rond 489 v.Chr. Voor dat moment is geen overtuigende gezalfde leider aan te wijzen. Sesbassar, Zerubbabel en de hogepriester Jozua ben-Josadak horen juist bij het eerdere herstel rond de terugkeer. [1]

Een andere lezing telt de zeven en 62 weken op tot 69 weken, oftewel 483 jaar. Vanaf 538 komt men dan rond 55 v.Chr. uit, opnieuw zonder passende leider. Bovendien blijft onduidelijk waarom de tekst de periode niet eenvoudig als 69 weken presenteert, maar als zeven plus 62. Voor Athas is die verdeling een aanwijzing die uitleg behoeft, geen hinderlijk detail dat in een optelsom mag verdwijnen. [1]

Hij toetst daarom vier aannames:

AannameAthas’ oordeelBetekenis voor zijn uitleg
De ‘weken’ zijn jaarwekenHij behoudt deze aannameZeventig gewone weken, ongeveer zestien maanden, bieden te weinig ruimte voor alle genoemde gebeurtenissen.
De perioden 7 + 62 + 1 volgen elkaar noodzakelijk zonder onderbreking opHij verwerpt deze noodzaakAlleen de overgang van de 62 weken naar de laatste week is volgens hem duidelijk als opvolging gemarkeerd. De zeven weken kunnen daarmee overlappen.
Beide gezalfden zijn dezelfde persoonHij verwerpt deze noodzaakBeide aanduidingen zijn onbepaald; twee verschillende personen zijn mogelijk.
De laatste week betreft Antiochus IV en de Makkabese crisisHij behoudt deze identificatieDie historische context blijft het ankerpunt voor het slot van het schema.

De eerste en vierde aanname blijven dus staan; vooral de tweede en derde worden opengebroken. Athas verplaatst het probleem daarmee van de lengte van een week naar de onderlinge verhouding van de perioden en de identiteit van de personen. [1]

Zijn voorstel is bijgevolg geen afwijzing van historische identificatie. Hij probeert historische precisie juist mogelijk te maken door minder vanzelfsprekend te vinden wat grammaticaal en chronologisch vaak al bij voorbaat wordt aangenomen. De beslissende vraag wordt of zijn alternatieve zinsindeling die ruimte inderdaad biedt.

3. Daniël 9:25: een andere zinsindeling en een ander onderwerp

Een eerste ingreep betreft de plaats van de 62 weken. Athas verbindt deze grammaticaal met de volgende clausule, niet met de voorafgaande zeven weken. Hij beroept zich daarbij mede op de verbindende waw en op de Masoretische accentuering met atnach. Daarmee verzet hij zich tegen een lezing waarin zeven en 62 onmiddellijk als één tijdsduur tot een gezalfde leider worden samengenomen. [1]

Vervolgens heroverweegt hij de relatie tussen ‘vanaf het uitgaan van het woord’ en ’tot een gezalfde leider’. Gewoonlijk worden deze uitdrukkingen als de twee uiteinden van één periode gelezen: vanaf een bevel tot aan een leider liggen zeven weken. Athas stelt dat de syntaxis die combinatie niet noodzakelijk maakt. Zijn alternatieve lezing kan, overeenkomstig de aangeleverde tekst, ongeveer zo worden weergegeven:

9:25a: ‘Weet en begrijp vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te herbouwen:’

9:25b: ‘Tot een gezalfde leider zullen er zeven weken zijn.’

9:25c: ‘In tweeënzestig weken zult u zijn teruggekeerd, met straat en waterleiding herbouwd, maar onder de benauwdheid van de tijden.’ [1]

Deze weergave is een parafrase van Athas’ voorstel, geen neutrale vertaling waarover alle uitleggers het eens zijn. Het belangrijkste verschil is dat het bevel van 538 niet langer vanzelfsprekend het beginpunt vormt van een daaropvolgende periode van zeven weken.

Een tweede ingreep betreft tashuv. Athas leest deze vorm als tweede persoon mannelijk enkelvoud: ‘u zult zijn teruggekeerd’. Daniël wordt dan aangesproken als vertegenwoordiger van het Joodse volk. De lezing verschilt van een vertaling waarin Jeruzalem het onderwerp is en de betekenis ongeveer luidt: ‘het zal opnieuw worden gebouwd’. Volgens Athas sluit zijn keuze beter aan bij het spreken over terugkeer en herbouw en bij Daniëls representatieve positie in het hoofdstuk. [1]

Ook haruts krijgt een voorzichtige uitleg. Athas denkt aan een waterbouwkundige voorziening, mogelijk een waterleiding of kanaal, mede op grond van een verwant gebruik in de Koperen Rol. Het blijft een voorstel, geen zekere identificatie. Daarnaast ziet hij thematische parallellie en een chiastische ordening in de regels. [1]

De winst van deze syntaxis is duidelijk: zij maakt een overlappend tijdschema mogelijk. Maar precies daarom draagt de houdbaarheid van deze ongebruikelijke zinsindeling een groot deel van het verdere betoog.

4. De perioden 7, 62 en 1: overlapping in plaats van optelling

Athas identificeert de gezalfde leider van Daniël 9:25 met iemand die rond 538 v.Chr. het lokale leiderschap vertegenwoordigt. Hij kiest niet definitief tussen Sesbassar, Zerubbabel en Jozua ben-Josadak. Hun gemeenschappelijke betekenis is belangrijker: zij horen bij de hervatting van lokaal gezag na de verwoesting. De zeven weken worden daarom achterwaarts berekend, van 538 naar 587 v.Chr. [1]

Deze 49 jaar verbeelden volgens Athas de onderbreking van gezalfd Davidisch of priesterlijk leiderschap in Jeruzalem na de tempelverwoesting en het verlies van de Judese staat. De 62 weken hebben een andere omvang en functie: zij lopen van 605 tot 171 v.Chr. De laatste week wordt geplaatst in 170-163 v.Chr. [1]

Het schema op pagina 17 is in het aangeleverde document uit een afbeelding uitgelezen. De onderstaande tabel vat die aangeleverde beeldinhoud samen; er zijn volgens de aangeleverde informatie geen overige relevante ongelezen pagina’s of afbeeldingen.

PeriodeDatering volgens AthasBetekenis en gebeurtenissen
7 weken587-538 v.Chr.49 jaar zonder het bedoelde gezalfde leiderschap in Jeruzalem; eindpunt bij de hervatting van lokaal leiderschap.
62 weken605-171 v.Chr.434 jaar vanaf het narratieve begin van Daniël tot aan de overgang naar de laatste crisis.
1 week170-163 v.Chr.Onias III wordt in 170 vermoord; Antiochus IV ontwijdt in 167 de tempel en stopt de Joodse offers; de slotgebeurtenissen worden weergegeven als Antiochus’ dood, de Makkabese inname van Jeruzalem en de herinwijding van de tempel in 164/163.

Het kenmerkende punt is dat de zeven weken binnen het langere tijdvak vallen en niet vóór de 62 weken moeten worden opgeteld. Het schema is dus zowel thematisch als chronologisch geordend. [1]

Voor de laatste week volgt Athas een kalenderberekening waarin schrikkelmaanden meetellen. Daardoor dateert hij de tempelreiniging specifiek op 14 januari 163 v.Chr. De bredere aanduiding 164/163 in het schema moet worden onderscheiden van deze precieze datering van de tempelreiniging. [1]

Waarom deze verspringing? Van 587 tot 170 liggen 417 jaar, ongeveer 59,6 jaarweken: geen passend geheel aantal. Volgens Athas wilde de auteur zowel Jeremia’s zeventigschema als de historische gebeurtenissen honoreren. Daarom liet hij het 62-wekenblok terugreiken tot 605. Zo brengt hij zeventig symbolische jaarweken onder in het door hem als 441 werkelijke jaren beschreven tijdvak 605-163. Dit is Athas’ reconstructie van de ordening van de geschiedenis, geen eenvoudige optelling van opeenvolgende perioden. [1]

5. Onias III: identificatie en hypothetische reconstructie van zijn dood

De gezalfde die volgens Daniël 9:26 wordt ‘afgesneden’, identificeert Athas met Onias III, de hogepriester. Deze identificatie maakt het mogelijk om de dood van een gezalfde functionaris te verbinden met de crisis die uitloopt op de vervolging door Antiochus IV. Zij betekent niet dat Onias ook de gezalfde leider van vers 25 moet zijn. [1]

Onias reisde in 175 v.Chr. naar Antiochië om zichzelf en zijn land tegen beschuldigingen te verdedigen. Na de dood van Seleucus IV en de machtsovername door Antiochus IV verloor hij zijn ambt aan zijn broer Jason. Hij keerde niet terug naar Jeruzalem. Vervolgens verwierf Menelaüs in 172 v.Chr. door simonie het hogepriesterschap. Volgens het in 2 Makkabeeën overgeleverde verhaal liet Menelaüs Onias door Andronicus vermoorden. [1]

Het moeilijkste punt is de precieze datering en politieke achtergrond. Athas reconstrueert een samenhang met de dood van de jonge Antiochus, zoon van Seleucus IV en een mogelijke dynastieke rivaal van Antiochus IV. De bronnen leggen verschillende verbanden: 2 Makkabeeën verbindt Andronicus’ terechtstelling met Onias’ moord, terwijl Diodorus haar verbindt met de moord op de jonge Antiochus. [1]

Athas probeert die verschillen niet op te lossen door een van beide moorden zonder meer als verzonnen te beschouwen. Hij stelt als mogelijkheid voor dat Andronicus voor beide moorden als zondebok diende. Antiochus IV zou zelf achter de uitschakeling van zijn neef kunnen hebben gezeten en vervolgens Andronicus hebben laten boeten. Dit betreft een hypothese over politieke motieven en verantwoordelijkheid; de aangeleverde tekst presenteert haar niet als bewezen toedracht. [1]

Binnen die reconstructie zou Onias ongeveer gelijktijdig met de jonge Antiochus, rond augustus 170 v.Chr., zijn vermoord. Athas acht dit passend bij de verdere gebeurtenissen en bij de overgang tussen de 62 weken en de laatste week. De aansluiting van tekst en geschiedenis is dus mede afhankelijk van de aannemelijkheid van deze datering. [1]

Onias heeft bovendien een inhoudelijke functie. Athas ziet hem als een conservatieve, niet-revolutionaire Zadokitische hogepriester. Zijn dood markeert het einde van een stabiel tijdperk van hogepriesterlijke opvolging. Hij is daardoor niet alleen een chronologisch herkenningspunt, maar ook een vertegenwoordiger van een bedreigde religieuze orde en van de houding die Athas in Daniël herkent. [1]

6. Ballingschap als vreemde overheersing: de theologische inzet

Athas’ belangrijkste inhoudelijke verschuiving betreft het begrip ballingschap. Wanneer ballingschap uitsluitend afwezigheid uit het land betekent, ligt het voor de hand haar te laten eindigen bij de terugkeer onder Cyrus. Zijn uitleg van de 62 weken en de laatste week vraagt echter om een langer perspectief: ballingschap is de toestand waarin Gods volk onder vreemde heerschappij blijft leven. [1]

De repatriatie van 538 is daarmee niet betekenisloos, maar evenmin beslissend. Er kan opnieuw lokaal leiderschap zijn en Jeruzalem kan worden herbouwd, terwijl de fundamentele afhankelijkheid voortduurt. De zeven weken beschrijven dan een reëel herstelmoment binnen een langere toestand van onvrijheid. Zo kan Athas tegelijk betekenis geven aan de terugkeer en verklaren waarom het visioen nog steeds over benauwdheid en uitgesteld herstel spreekt. [1]

De casus van Onias laat deze spanning scherp zien. Er is een hogepriester en er bestaat een herstelde religieuze orde, maar buitenlandse machtsverhoudingen maken die orde kwetsbaar. In Athas’ lezing weerspreekt Onias’ lot daarom de gedachte dat repatriatie automatisch volledig herstel heeft gebracht. Het einde van de ballingschap vereist uiteindelijk de omverwerping van vreemde heerschappij en de vestiging van Gods koninkrijk. [1]

Daarbij schrijft Athas de auteur een apocalyptische, niet-revolutionaire houding toe. De beslissende ommekeer komt door Gods handelen, niet doordat gelovigen zelf met wapens de eindtoestand afdwingen. Van hen wordt trouw aan Joodse gebruiken gevraagd, ook wanneer dat persoonlijke offers vergt, en een houding van stille weerstand en volhardend wachten. Onias belichaamt volgens Athas zo’n houding. [1]

Hier ontstaat een belangrijke spanning: de laatste week wordt verbonden met de Makkabese crisis en de herinwijding van de tempel, maar Athas maakt de auteur daarmee niet tot een pleitbezorger van gewapende opstand. Historische aansluiting en theologische instemming zijn niet hetzelfde. Het tijdschema beschrijft volgens hem vooral waarom de werkelijke verlossing nog steeds afhankelijk is van Gods beslissende optreden.

7. Van uitleg naar ontstaans- en transmissiegeschiedenis

Hoewel Athas synchronisch begint, trekt hij ook diachrone conclusies. Zijn redenering is dat het schema van hoofdstuk 9 verklaart waarom het boek in hoofdstuk 1 bij 605 v.Chr. begint. Dat jaartal is in zijn model geen toevallige achtergrondinformatie: het is nodig om het 62-wekenblok te laten aansluiten bij de laatste crisis. [1]

Daarom noemt hij hoofdstuk 1 ‘genetisch’ afhankelijk van hoofdstuk 9. Hij bedoelt dat de chronologische omlijsting van het boek haar vorm volgens hem aan het schema van hoofdstuk 9 ontleent. In die redenering kan die omlijsting niet eerder zijn gecomponeerd dan hoofdstuk 9. Dat ondersteunt de hypothese dat hoofdstuk 1 later als inleiding aan bestaande Daniëltradities is toegevoegd. [1]

Deze conclusie blijft afhankelijk van het voorafgaande model. Als de verklaring van 605 vanuit de 62 weken niet overtuigt, wordt ook dit argument voor redactionele afhankelijkheid zwakker. Athas presenteert zijn chronologische interpretatie dus als een bijdrage aan de ontstaansgeschiedenis; zij vormt geen zelfstandig manuscriptbewijs voor de volgorde waarin de hoofdstukken zijn geschreven.

Daarnaast betrekt hij andere aanwijzingen bij zijn betoog. Hij wijst op verschillen tussen de Masoretische tekst en de Oudgriekse versie van hoofdstukken 4-6, die kunnen passen bij vrij aanpasbare, circulerende tradities. Ook de taalverdeling is relevant: hoofdstukken 2-7 zijn Aramees, terwijl de overige hoofdstukken Hebreeuws zijn. Hoofdstuk 7 mag dus niet zonder onderscheid als Hebreeuws worden aangeduid. Andere Daniëltradities en materiaal onder de Dode Zeerollen wijzen volgens hem eveneens op een breder traditielandschap. [1]

Athas brengt hoofdstuk 1 zo in verband met een latere ontwikkeling waarin ook de visionaire gedeelten van het boek een plaats krijgen. Zijn voorstel heeft daardoor een dubbele ambitie: het moet niet alleen Daniël 9 verklaren, maar ook inzicht bieden in de manier waarop afzonderlijke tradities tot het overgeleverde boek zijn samengebracht. Die tweede ambitie is een gevolgtrekking uit zijn interpretatie, geen vaststaand resultaat.

8. Synthese: samenhang als kracht, afhankelijkheid als beperking

Athas’ voorstel probeert drie niveaus op elkaar te betrekken: de literaire vorm van Daniël, de historische crisis onder Antiochus IV en de theologische verwachting van werkelijk herstel. De zeven weken verklaren een onderbreking van leiderschap; de 62 weken plaatsen de lange vreemde overheersing binnen het narratieve kader; de laatste week concentreert de crisis rond Onias en de tempel. Dat geeft de verschillende getallen een eigen functie. [1]

AspectGebruikelijke, door Athas bestreden benaderingAthas’ alternatiefSterkte en voorbehoud
Mechanisme van het tijdschemaAlle perioden worden achter elkaar geplaatstZeven weken overlappen met het langere blokOverlapping geeft de verdeling betekenis, maar is minder vanzelfsprekend.
Historische personenBeide gezalfden worden als één persoon opgevatEen leider rond 538 wordt onderscheiden van Onias IIIDit vermindert identificatieproblemen, maar levert voor vers 25 geen unieke kandidaat op.
Betekenis van herstelTerugkeer uit het land van ballingschap krijgt de beslissende nadrukHet einde van vreemde overheersing vormt de uiteindelijke horizonDit verbindt chronologie en theologie, maar vraagt om een ruimere definitie van ballingschap.
VerklaringsbereikHet rekenschema wordt vooral aan gebeurtenissen gekoppeldHet schema verklaart mede de vormgeving van hoofdstuk 1Het model krijgt meer samenhang, terwijl de redactionele conclusie afhankelijk blijft van de uitleg van hoofdstuk 9.

De voornaamste kracht is dus integratie: Athas verklaart niet alleen een getal, maar probeert ook de verdeling van de perioden, het beginjaar van het verhaal en het uitblijven van volledig herstel met elkaar te verbinden. De keerzijde is dat de onderdelen elkaar wederzijds moeten dragen. [1]

De voorbehouden zijn wezenlijk. De zinsindeling van 9:25 is ongebruikelijk; de perioden worden niet allemaal opeenvolgend gelezen; de datering en politieke reconstructie van Onias’ dood zijn deels hypothetisch; en de auteur zou volgens Athas de geschiedenis kunstmatig hebben geschikt naar het gewenste zeventigschema. Athas erkent zelf zowel het niet-intuïtieve karakter als de benodigde ‘gymnastiek’. Zijn aanspraak is dat deze kosten opwegen tegen een grotere precisie en een betere aansluiting bij de literaire en theologische trekken van Daniël. [1]

Het artikel moet daarom worden begrepen als een samenhangende interpretatieve hypothese, niet als de definitieve oplossing van Daniëls chronologie. De kern is dat zeventig jaarweken volgens Athas geen eenvoudige kalender van zeventig opeenvolgende perioden vormen. Zij verbeelden een geschiedenis waarin terugkeer werkelijk herstel brengt, maar de ballingschap pas ten einde loopt wanneer ook de vreemde overheersing door Gods ingrijpen wordt beëindigd. [1]

References

  1. jhsonline.org jhsonline.org

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *