Kernbevindingen
De stelling “de volkstelling in Lukas is niet historisch” is verdedigbaar als zij betekent dat de combinatie van datering, decreet en reisverplichting in Lukas 2:1-5 waarschijnlijk geen nauwkeurig historisch verslag is. Zij is te ongenuanceerd als zij betekent dat Quirinius en zijn volkstelling verzonnen zijn. De telling onder Quirinius heeft een stevige historische basis; juist daardoor ontstaat het probleem met de plaatsing rond Jezus’ geboorte onder Herodes.[13][8]
- Historische Kern: Josephus verbindt Quirinius met een vermogensregistratie na Archelaus’ afzetting, doorgaans gedateerd in 6/7 n.Chr. -> onderscheid deze gebeurtenis van Lukas’ specifieke geboorteverhaal.[13][7]
- Chronologische Breuk: Herodes de Grote sterft volgens de gangbare datering in 4 v.Chr., terwijl Quirinius’ bekende Syrische gouverneurschap later begint -> er ligt ongeveer tien jaar tussen de twee historische contexten.[6][4]
- Geen Bevestigd Werelddecreet: Augustus vermeldt burgertellingen in 28 en 8 v.Chr. en 14 n.Chr., maar die bevestigen geen gelijktijdige registratie van alle rijksinwoners -> stel verschillende soorten tellingen niet aan elkaar gelijk.[3][7]
- Terugkeer Is Niet Hetzelfde Als Afstamming: Een Egyptisch edict uit 104 n.Chr. verplicht afwezigen terug te keren naar hun eigen huishouden -> dit bewijst geen verplichting om naar de stad van een verre voorouder te reizen.[5]
- Inscripties Hebben Grenzen: Epigrafisch materiaal bevestigt Quirinius’ bestuurlijke activiteiten, maar bewijst geen volkstelling in Judea tijdens Herodes’ leven -> onderscheid wat op de steen staat van wat een reconstructie eraan toevoegt.[16][8]
- Serieuze Minderheidsvoorstellen: Ook hedendaagse oudheidkundigen onderzoeken een eerdere registratie, onder wie Sabine Huebner -> neem zulke voorstellen serieus, maar behandel een mogelijke reconstructie niet als vastgestelde geschiedenis.[17]
- Gewogen Eindoordeel: Zowel kritische analyses als voorzichtige conservatieve studies erkennen wezenlijke problemen -> “waarschijnlijk historisch onnauwkeurig” is sterker onderbouwd dan zowel “volledig verzonnen” als “archeologisch bewezen”.[7][12]
1. Wat Lukas precies beweert, bepaalt het oordeel
Lukas 2:1-5 bevat verschillende historische aanspraken. Augustus vaardigt een decreet uit voor de inschrijving van “heel de wereld”; de inschrijving wordt verbonden met Quirinius’ bestuur over Syrië; iedereen gaat naar zijn eigen stad; Jozef reist van Nazareth naar Bethlehem omdat hij uit het huis en geslacht van David is, met Maria, die zwanger is.[7]
“Heel de wereld” betekent hier niet de gehele aardbol in moderne geografische zin. Het gaat om de Romeinse wereld. Die gebruikelijke betekenis neemt een onnodig bezwaar weg, maar laat de eigenlijke vraag staan: was er een algemene Augusteïsche registratie die deze reis veroorzaakte?[7]
Het chronologische probleem ontstaat bovendien niet uitsluitend doordat men Lukas met Matteüs combineert. Lukas 1:5 situeert het begin van het geboorteverhaal zelf in de dagen van Herodes. De doorgaande vertelling verbindt vervolgens Jezus’ geboorte met de inschrijving onder Quirinius. Ook moderne voorstellen die Lukas willen verdedigen erkennen dat dit, bij de gewone lezing, een probleem vormt.[9][11]
Een bruikbaar onderscheid is daarom:
| Onderdeel van het verhaal | Historische beoordeling |
|---|---|
| Romeinse registraties en belastingheffing | Goed passend bij de bestuurlijke achtergrond |
| Quirinius als betrokken Romeins bestuurder | Onafhankelijk bevestigd |
| Een telling onder Quirinius na Archelaus’ afzetting | Stevig bevestigd |
| Diezelfde telling tijdens Herodes’ leven | In strijd met de gebruikelijke chronologie |
| Een Augusteïsch werelddecreet met de beschreven uitvoering | Niet onafhankelijk aangetoond |
| Een algemene verplichting tot registratie in een verre voorouderstad | Niet aangetoond door de aangehaalde documenten |
Deze onderscheidingen volgen uit de combinatie van Augustus’ eigen verslag, Josephus en de beschikbare administratieve en epigrafische gegevens.[3][13][5][8]
De kernvraag is dus niet of Lukas echte historische namen gebruikt. Dat doet hij. De vraag is of hij die namen, gebeurtenissen en administratieve praktijken in de juiste samenhang plaatst. Juist die samenhang is het zwakke punt.
2. Augustus’ drie burgertellingen bewijzen geen universele inschrijving
Het onderscheid tussen burgers en provinciale inwoners
De belangrijkste directe bron is Augustus’ Res Gestae, hoofdstuk 8. Augustus noemt drie tellingen van Romeinse burgers: in 28 v.Chr., 8 v.Chr. en 14 n.Chr. De tekst spreekt uitdrukkelijk over geregistreerde Romeinse burgers, niet over alle inwoners van alle provincies en afhankelijke koninkrijken.[3]
Dat verschil is beslissend. Een burgertelling heeft een andere juridische reikwijdte dan een provinciale vermogensregistratie voor belastingheffing. De katholieke New American Bible-toelichting bij Lukas maakt hetzelfde onderscheid: algemene tellingen van Romeinse burgers en registraties in afzonderlijke provincies zijn bekend, maar een universele telling van de Romeinse wereld onder Augustus zoals hier beschreven is buiten het Nieuwe Testament onbekend.[7]
| Door Augustus genoemde telling | Genoemde groep | Betekenis voor Lukas 2 |
|---|---|---|
| 28 v.Chr. | Romeinse burgers | Bevestigt Augusteïsche censusactiviteit, niet Lukas’ specifieke inschrijving |
| 8 v.Chr. | Romeinse burgers | Chronologisch aantrekkelijk voor sommige harmonisaties, maar niet automatisch een telling van Herodes’ onderdanen |
| 14 n.Chr. | Romeinse burgers | Bevestigt opnieuw het bestaan van burgertellingen, niet een geboorte-inschrijving in Bethlehem |
De overeenkomst in woordgebruik, “telling” of “inschrijving”, bewijst dus geen identiteit van gebeurtenissen. Vooral de telling van 8 v.Chr. wordt gemakkelijk meer bewijskracht toegekend dan Augustus’ tekst zelf toestaat.[3][17]
Kan Lukas een algemene registratiepolitiek bedoelen?
Een mildere interpretatie is dat Lukas een algemene Augusteïsche registratiepolitiek samenvat, die per gebied op verschillende momenten wordt uitgevoerd. Kimberley Fowler bespreekt deze mogelijkheid in het academische project Judaism and Rome. Daarmee kan men verklaren waarom Lukas een lokale registratie onder het brede gezag van Augustus plaatst.[6]
Maar dit blijft een reconstructie. Zij levert geen onafhankelijk bewijs voor het concrete decreet, het tijdstip van uitvoering in Herodes’ rijk of de reis van Jozef. Bovendien presenteert Lukas de inschrijving als een concrete aanleiding voor de handelingen van zijn personages, niet alleen als een algemene omschrijving van keizerlijk bestuur.[7][6]
Beoordeling: het is te stellig om uit de ontbrekende bevestiging af te leiden dat Augustus nooit een relevante instructie kan hebben gegeven. Het is even onjuist om de Res Gestae als bevestiging van Lukas’ werelddecreet te presenteren. Een algemene registratiepolitiek is mogelijk; het beschreven universele decreet is niet aangetoond.
3. Quirinius en Herodes: de zwaarste chronologische moeilijkheid
Josephus plaatst de telling na Archelaus’ afzetting
In Joodse oudheden 18.1-4 beschrijft Josephus Quirinius, in oudere vertalingen Cyrenius genoemd, als een voormalig consul die door Caesar naar Syrië wordt gestuurd om de vermogens te beoordelen. Coponius krijgt tegelijkertijd gezag over de Joden. Quirinius komt naar Judea, dat nu onder de nieuwe Romeinse bestuursregeling valt, om bezittingen te registreren en Archelaus’ vermogen af te handelen.[13]
Josephus geeft vervolgens een expliciete tijdsaanduiding. In Joodse oudheden 18.26 situeert hij de voltooiing van de registratie in het zevenendertigste jaar na Caesars overwinning op Antonius bij Actium. Dit is een belangrijke grondslag voor de gebruikelijke datering in 6/7 n.Chr.[13][7]
Hier gaat het niet alleen om een los jaartal dat eenvoudig verschreven kan zijn. De telling maakt bij Josephus deel uit van een bestuurlijke overgang: Archelaus verdwijnt, Rome neemt directer bestuur op zich, Coponius treedt aan en Quirinius voert een vermogensregistratie uit. De oudheidkundige Edward Dabrowa benadrukt die samenhang in zijn analyse in Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik.[8]
Waarom 4 v.Chr. niet met 6/7 n.Chr. samenvalt
De gebruikelijke datering van Herodes’ dood is 4 v.Chr. Quirinius’ bekende gouverneurschap en telling behoren tot 6/7 n.Chr. Daarmee liggen de twee contexten ongeveer tien jaar uit elkaar. Een discussie over beperkte verschuivingen in Herodes’ sterfjaar is op zichzelf dus geen oplossing voor de gebruikelijke identificatie van beide gebeurtenissen.[6][4]
Ook de bekende bezetting van het Syrische gouverneurschap staat een eenvoudige vervroeging in de weg. De conservatieve onderzoeker Jared Compton erkent dat Varus tijdens de laatste fase van Herodes’ leven gouverneur van Syrië is. Quirinius kan daar niet zonder aanvullend bewijs als de gewone, gelijktijdige gouverneur tussen worden geplaatst.[12]
Tacitus bevestigt de loopbaan, niet een vroege telling
Tacitus, Annalen 3.48, bevestigt Quirinius’ consulschap, zijn militaire optreden tegen de Homonadensen en zijn latere rol als adviseur van Gaius Caesar bij diens Armeense opdracht. Dit maakt Quirinius tot een goed gedocumenteerde historische figuur.[15]
Maar Tacitus zegt in deze passage niet dat Quirinius vóór Herodes’ dood gouverneur van Syrië was, en evenmin dat hij toen een telling in Judea uitvoerde. Zijn militaire en bestuurlijke ervaring mag niet zonder meer worden omgezet in bewijs voor de precieze functie die een harmonisatie nodig heeft.[15]
Beoordeling: de telling van 6/7 n.Chr. is veel steviger verankerd dan een veronderstelde eerdere telling onder Quirinius. De chronologische spanning is daarom geen klein detail, maar het voornaamste argument tegen de historische nauwkeurigheid van de gewone lezing van Lukas 2.
4. Bethlehem: terug naar huis is niet terug naar David
Wat het Egyptische edict uit 104 werkelijk zegt
Het vaak aangehaalde administratieve parallelstuk is het edict van Gaius Vibius Maximus, prefect van Egypte, uit 104 n.Chr., doorgaans aangeduid als P.Lond. III 904. De tekst kondigt een huishoudelijke telling aan. Personen die buiten hun administratieve district verblijven, moeten terugkeren naar hun “eigen haardsteden”, zodat zij de gebruikelijke registratie kunnen uitvoeren en hun landbouwtaken kunnen hervatten.[5]
Dit document weerlegt een te absolute kritiek: Romeinse registraties konden inderdaad reizen noodzakelijk maken. Het is dus onjuist te zeggen dat Rome nooit van iemand verlangde voor een telling terug te keren. Het edict voorziet zelfs in uitzonderingen voor mensen die om een aanvaardbare reden in de stad moeten blijven.[5]
Maar het document spreekt over het eigen huishouden en de actuele administratieve verbondenheid, niet over de woonplaats van een voorouder uit een ver verleden. Het is bovendien een Egyptisch document uit een latere periode. Het bewijst een concrete praktijk in die context, geen uniforme regel voor alle Romeinse gebieden en cliëntkoninkrijken.[5]
Wat dit voor Jozef betekent
Lukas motiveert Jozefs reis met zijn afstamming uit het huis en geslacht van David. Hij vermeldt in deze passage geen eigendom, belastingplichtig grondbezit of administratief domicilie in Bethlehem.[7]
Daarom zijn twee scenario’s te onderscheiden. Een reis omdat Jozef in Bethlehem een huishouden, eigendom of fiscale verplichting heeft, is administratief voorstelbaar. Een algemene Romeinse verplichting om vanwege verre Davidische afstamming naar Bethlehem te gaan, wordt door het Egyptische edict niet bevestigd.[5][17]
Huebner ontwikkelt juist het eerste scenario: Jozefs familie kan uit Bethlehem afkomstig zijn en daar bezit hebben gehad, terwijl hij tijdelijk in Nazareth verbleef. Volgens Brent Nongbri’s bespreking sluit zij hierbij aan bij verplaatsingen die uit Egyptische censuspapieren bekend zijn. Het belangrijke verschil is dat deze verklaring mogelijk bezit en domicilie toevoegt aan wat Lukas zelf over afkomst zegt.[17]
Bij de telling van 6/7 ontstaat daarnaast de vraag waarom iemand uit Galilea onder de nieuwe registratie in Judea zou vallen. Compton erkent dat belastingplicht vanuit Galilea in het naburige Judea moeilijk aantoonbaar is. Een individuele eigendomsband zou relevant kunnen zijn, maar is voor Jozef niet onafhankelijk vastgesteld.[12][17]
Dat Maria meereist, bewijst evenmin dat een Romeinse regeling haar persoonlijke aanwezigheid vereiste. Lukas vertelt dat zij meegaat; daarmee is nog geen algemene administratieve verplichting voor haar aangetoond.[7]
Beoordeling: een reis naar Bethlehem is niet onmogelijk. De specifieke verklaring door een verplichte terugkeer naar een verre voorouderstad is echter onbewezen en historisch onwaarschijnlijker dan een eventuele reis wegens eigen domicilie of bezit.
5. Wat de primaire documenten en inscripties wel bewijzen
De bronnen verschillen sterk in bewijskracht. Een document kan een bestuurder of praktijk bevestigen zonder daarmee de volledige voorstelling in Lukas te bevestigen.
| Bron | Positieve bewijskracht | Belangrijkste beperking |
|---|---|---|
| Augustus, Res Gestae 8 | Drie tellingen van Romeinse burgers | Geen bevestiging van de beschreven registratie van alle rijksinwoners.[3][7] |
| Josephus, Joodse oudheden 18.1-4, 26 | Quirinius’ vermogensregistratie na Archelaus en een expliciete tijdsaanduiding | Plaatst de bekende telling juist buiten Herodes’ leven.[13] |
| Tacitus, Annalen 3.48 | Quirinius’ politieke en militaire loopbaan | Geen vroege telling van Judea of vroeg Syrisch gouverneurschap in deze passage.[15] |
| Inscriptie van Q. Aemilius Secundus, CIL III 6687 = ILS 2683 | Quirinius als legaat in Syrië en een door Secundus uitgevoerde telling in Apamea | Geen vermelding van Bethlehem of een telling in Judea tijdens Herodes.[16] |
| Lapis Tiburtinus | Loopbaan van een gedeeltelijk anoniem gebleven senator, met verwijzing naar Syrië | Identificatie met Quirinius en de gevolgtrekking van twee Syrische ambtstermijnen zijn omstreden.[8] |
| Egyptisch terugkeeredict, 104 n.Chr. | Terugkeer naar het eigen huishouden voor registratie | Geen regel over een verre voorouderstad.[5] |
De documenten ondersteunen dus vooral de Romeinse bestuurlijke achtergrond en de latere Quirinius-telling. Zij leveren geen sluitende bevestiging van de combinatie die Lukas beschrijft.
Secundus: een echte telling, maar niet automatisch die van Lukas
De inscriptie van Quintus Aemilius Secundus vermeldt dat hij onder Publius Sulpicius Quirinius, legaat van Caesar in Syrië, diende. Op Quirinius’ bevel voerde hij een telling uit in het district Apamea, waarbij 117.000 burgers worden genoemd.[16]
Dit is belangrijke onafhankelijke bevestiging van Quirinius’ betrokkenheid bij tellingen. De sprong van “Quirinius liet in Apamea tellen” naar “dus hij organiseerde vóór Herodes’ dood Lukas’ telling in Judea” gaat echter verder dan de inscriptie toelaat. De geografische en chronologische schakels ontbreken in die bewijsvoering.
Tiburtinus: het verschil tussen steen en identificatie
Bij de Lapis Tiburtinus is de naam van de geëerde bestuurder niet bewaard. De Vaticaanse museumcatalogus identificeert hem waarschijnlijk met Quirinius en ziet in de vermelding van een herhaald legaatschap ruimte voor een eerdere functie in Syrië.[2]
Dabrowa behandelt het document terughoudender: het betreft een gedeeltelijk bewaarde loopbaaninscriptie van een anonieme senator; de identificatie en de reconstructie van twee Syrische gouverneurschappen zijn interpretaties. Zelfs als de identificatie juist zou zijn, volgt daaruit nog niet dat er tijdens Herodes een door Quirinius geleide telling in Judea plaatsvond.[8]
Ook andere epigrafische argumenten, zoals een gewichtstandaard uit een Herodiaanse context, leveren volgens Dabrowa geen dwingend bewijs voor Romeinse fiscale controle of een Romeinse telling in Herodes’ rijk. Zulke objecten kunnen eveneens binnen Herodes’ eigen administratie functioneren.[8]
Beoordeling: de archeologie maakt de historische achtergrond concreter, maar heeft de chronologische moeilijkheid niet opgelost.
6. De belangrijkste harmonisaties en hun academische ontvangst
Er bestaat geen uniforme “gelovige” tegenover “ongelovige” oplossing. Ook onderzoekers die Lukas’ betrouwbaarheid willen verdedigen, verwerpen geregeld elkaars voorstellen. Het onderscheid tussen denkbaar, aannemelijk en aangetoond blijft daarom essentieel.[12][10]
| Voorstel | Wat het probeert op te lossen | Beoordeling van de bewijslast |
|---|---|---|
| Quirinius bestuurde Syrië tweemaal | Een eerste ambtstermijn zou vóór Herodes’ dood vallen | Inscripties bieden geen zekere bevestiging; de bekende gouverneurschronologie bemoeilijkt een eenvoudige invoeging.[8][7] |
| Quirinius had eerder een andere opdracht | Het Griekse woord voor besturen hoeft geen exacte Romeinse ambtstitel te zijn | Taal en onvolledige loopbaangegevens laten ruimte, maar de vereiste concrete functie en telling zijn niet aangetoond.[11][12] |
| Vertaal: “vóór Quirinius Syrië bestuurde” | Ontkoppelt de geboorte-inschrijving van 6/7 | Minderheidslezing; Compton acht de vereiste grammaticale verbindingen onnatuurlijk.[10][12] |
| De telling begon eerder en eindigde onder Quirinius | Overbrugt de chronologische kloof met een langlopend proces | Een mogelijkheid naar analogie, maar geen direct bewijs; de relatie met Jozefs eerdere reis blijft problematisch.[12][10] |
| Josephus heeft de telling verkeerd gedateerd | Geeft Lukas voorrang boven Josephus | Rhoads verdedigt dit via bronnenkritiek, maar erkent hypothetische stappen in de verklaring van de expliciete datering.[11] |
| Een Herodiaanse cliëntstaatregistratie rond 8 v.Chr. | Verbindt Augustus’ beleid met een eerdere registratie onder Herodes | Huebners serieuze minderheidsreconstructie; de specifieke registratie en Quirinius’ rol blijven niet onafhankelijk bevestigd.[17] |
| Een loyaliteitseed ligt achter de inschrijving | Verklaart een bredere registratie onder Herodes | Fowler noemt de verbinding met de bekende eed een uiterst zwakke verklaring.[6] |
| Lukas 2:1-5 is een vooruitblik | Houdt de latere telling buiten het eigenlijke geboortemoment | Armitages literaire alternatief kan worden verdedigd, maar toont de historische juistheid niet aan.[9] |
De voorstellen lossen verschillende problemen op, maar zelden alle tegelijk. Een andere vertaling verhelpt bijvoorbeeld niet vanzelf het werelddecreet of de reisgrond; een eerdere bestuurlijke functie bewijst nog geen eerdere telling.
Huebner: een serieuze mogelijkheid, geen nieuwe consensus
Sabine Huebners Papyri and the Social World of the New Testament uit 2019 is belangrijk omdat haar voorstel uit de papyrologie en sociale geschiedenis voortkomt. Zij reconstrueert een registratie onder Herodes, naast de Romeinse burgertelling van 8 v.Chr., toen Saturninus Syrië bestuurde. Quirinius zou daarbij een lagere uitvoerende functie hebben vervuld, waarschijnlijk als prefect.[17]
Het voordeel is dat zij meerdere spanningen tegelijk probeert te verminderen: de Herodiaanse datering, een uitvoerende rol voor Quirinius en een reis wegens familiebezit. Nongbri noemt de oplossing in Bryn Mawr Classical Review plausibel en intrigerend, maar benadrukt dat de cliëntstaatregistratie niet goed is geattesteerd en dat de Griekse ambtsaanduiding minder eenduidig is dan Huebner suggereert.[17]
Rhoads en Armitage: twee verschillende uitwegen
John H. Rhoads betoogt in 2011 dat Josephus overlappende bronnen verkeerd heeft geordend en de telling ongeveer tien jaar heeft verschoven. Hij wijst vooral op overeenkomsten en mogelijke doublures rond Coponius en de hogepriester Joazar. Dit is een inhoudelijk bronnenkritisch argument, niet slechts de mededeling dat Josephus feilbaar is.[11]
De moeilijkheid is dat ook Josephus’ expliciete Actium-datering moet worden verklaard. Rhoads bespreekt daarvoor verschillende conjecturen. Zijn voorstel toont aan waar men Josephus zou kunnen bevragen, maar levert geen rechtstreeks nieuw document dat een Herodiaanse Quirinius-telling bevestigt.[11]
David J. Armitage kiest in 2018 een andere route: hij aanvaardt voor zijn betoog de gebruikelijke latere datering en leest Lukas 2:1-5 als een vooruitblik, waarna vers 6 de geboortevertelling hervat. Hij presenteert dit zelf niet als een definitief bewijs van historische nauwkeurigheid, maar als een mogelijke alternatieve lezing.[9]
Waar staat het bredere onderzoek?
De kritische hoofdpositie blijft dat de gewone lezing van Lukas historisch niet goed te verzoenen is met de bekende chronologie. Dat blijkt uit de katholieke bijbeltoelichting, Fowlers overzicht en Michael Kochenash’ artikel in Journal of Biblical Literature uit 2024, dat de chronologie als onverenigbaar behandelt.[7][6][4]
Er bestaat minder overeenstemming over de verklaring van die onnauwkeurigheid. Een vergissing of samenvoeging van herinneringen is mogelijk; een bewuste literaire of theologische ordening eveneens. Kochenash onderzoekt bijvoorbeeld of de telling via Judas de Galileeër en Josephus een verwijzing naar de ondergang van Jeruzalem oproept. Dat is een interpretatie van Lukas’ vertelstrategie, geen bevestiging van de geboortechronologie.[7][4]
7. Synthese: wat is vrijwel zeker, mogelijk en onwaarschijnlijk?
De drie belangrijkste benaderingen verschillen niet alleen in hun conclusie, maar ook in de prijs die hun verklaring vraagt.
| Benadering | Verklaringsmechanisme | Sterke kant | Voornaamste beperking |
|---|---|---|---|
| Kritisch-historisch | Lukas combineert historische elementen onnauwkeurig | Sluit aan bij de expliciet gedateerde telling na Archelaus | Verklaart niet met zekerheid hoe of waarom Lukas tot zijn voorstelling kwam.[13][7] |
| Historisch harmoniserend | Een eerdere registratie, andere functie of andere datering | Houdt rekening met lacunes in de overlevering | Vereist aanvullende, niet onafhankelijk bevestigde schakels.[12][17] |
| Literair-exegetisch | Vooruitblik, thematische ordening of theologische synchronisatie | Neemt Lukas’ vertelwijze serieus | De specifieke literaire verklaring blijft betwist en bewijst geen administratief feitenrelaas.[9][4] |
Een belangrijk inzicht is dat onzekerheid over de verklaring van een fout niet gelijkstaat aan onzekerheid over het bestaan van de chronologische spanning. Omgekeerd is een aantoonbare spanning geen bewijs dat ieder onderdeel van het verhaal verzonnen is.
Vrijwel zeker
Quirinius is een historische Romeinse bestuurder. Hij is betrokken bij de bekende registratie na Archelaus’ afzetting, die in 6/7 n.Chr. wordt geplaatst. Augustus organiseert tellingen, en Romeinse registraties kunnen in bepaalde omstandigheden terugkeer naar het eigen huishouden vereisen.[15][13][3][5]
Volgens de gangbare datering sterft Herodes in 4 v.Chr. De bekende Quirinius-telling valt dus niet tijdens zijn leven. Dat is het stevigste historische bezwaar tegen de gewone lezing van Lukas 2.[6][8]
Mogelijk, maar niet aangetoond
Er kan onder Herodes een andere registratie hebben plaatsgevonden. Quirinius kan een eerdere, andersoortige opdracht hebben gehad. Jozef kan een concrete eigendoms- of domicilieband met Bethlehem hebben gehad. Zulke mogelijkheden passen binnen reconstructies die ook door serieuze onderzoekers worden onderzocht, maar zij zijn voor deze specifieke gebeurtenis niet onafhankelijk bevestigd.[12][17]
Onwaarschijnlijk of onvoldoende onderbouwd
Dat de telling van 6/7 n.Chr. zonder verdere problemen samenvalt met Jezus’ geboorte tijdens Herodes’ leven, is historisch onwaarschijnlijk. Een gelijktijdige registratie van alle rijksinwoners op basis van het beschreven decreet is niet aangetoond. Hetzelfde geldt voor een algemene Romeinse regel die registratie in de stad van een verre voorouder voorschrijft.[8][7][5]
Het meest verantwoorde antwoord op de stelling luidt daarom: Lukas’ volkstellingsverhaal bevat een historische kern, maar is in zijn gebruikelijke lezing waarschijnlijk geen nauwkeurig historisch verslag van de omstandigheden rond Jezus’ geboorte. De datering levert een zwaarwegend positief bezwaar op; het decreet en de voorouderlijke reisverplichting missen onafhankelijke bevestiging. Harmonisatie blijft op onderdelen mogelijk, maar geen van de besproken voorstellen heeft de gehele combinatie overtuigend historisch vastgesteld.[8][7][12]
Referenties
- penelope.uchicago.edu penelope.uchicago.edu
- Fragment of the sepulchral inscription of Quirinius museivaticani.va
- Res Gestae Divi Augusti ( English translation ) droitromain.univ-grenoble-alpes.fr
- doi.org doi.org
- Census Edict kchanson.com
- judaism-and-rome.org judaism-and-rome.org
- Luke, CHAPTER 2 | USCCB usccb.org
- sfu.ca sfu.ca
- tyndalebulletin.org tyndalebulletin.org
- digitalcommons.liberty.edu digitalcommons.liberty.edu
- etsjets.org etsjets.org
- dbts.edu dbts.edu
- ccel.org ccel.org
- “In those days a decree went out …” (Chapter III) – Papyri and the Social World of the New Testament cambridge.org
- penelope.uchicago.edu penelope.uchicago.edu
- Stele of Quintus Aemilius Secundus – Wikipedia en.wikipedia.org
- Papyri and the Social World of the New Testament – Bryn Mawr Classical Review bmcr.brynmawr.edu

Geef een reactie