Samenvatting

  • Schepping Is Geen Bestaansonderbreking: volgens de klassieke opvatting ontvangt de wereld haar bestaan van God; daaruit volgt niet dat God zelf ophoudt te bestaan of wordt vervangen door zijn schepping. -> Onderscheid het ontstaan van iets anders van een verandering in Gods bestaan. [8]
  • Eeuwigheid Heeft Verschillende Betekenissen: Boethius onderscheidt een leven dat eindeloos voortduurt van een leven dat zonder opeenvolging geheel tegenwoordig is. -> Vraag niet alleen hoe lang God bestaat, maar ook of Gods leven opeenvolgende momenten kent. [18]
  • Geen Wachttijd Voor De Schepping: volgens Augustinus ontstaat tijd met de schepping; er was dus geen eerder tijdvak waarin God op de schepping wachtte. -> Lees Gods voorafgaan aan de wereld niet automatisch als een chronologisch voorafgaan. [20]
  • Abrahams Gesprek Blijft Betekenisvol: Genesis 18 vertelt een echte dialoog binnen het verhaal, met voorbede over vijftig tot tien rechtvaardigen, maar geen onderbreking van Gods bestaan. -> Neem de ontmoeting serieus zonder de metafysische uitleg al vast te leggen. [14]
  • De Tradities Zijn Meerstemmig: Maimonides leest Abrahams ontmoeting als een profetisch visioen; Nachmanides verzet zich tegen die uitleg. -> Presenteer niet een enkele uitleg als de onbetwiste joodse of christelijke positie. [11]
  • De Werkelijke Spanning Betreft Responsiviteit: de moeilijke vraag is hoe een tijdloze God werkelijk antwoordt op tijdelijke gebeurtenissen. -> Vergelijk de verklaringskracht en de problemen van tijdloosheid, eeuwigdurendheid en een gecombineerd model. [15][9]

Waarom schepping Gods bestaan niet onderbreekt

Het klassieke antwoord luidt: de schepping onderbreekt niet Gods bestaan, omdat het ontstaan van de wereld niet betekent dat God zelf verdwijnt, ophoudt God te zijn of plaatsmaakt voor de wereld. Bij Thomas van Aquino betekent schepping dat het gehele bestaan van het schepsel zijn oorsprong heeft in God. Het is geen verbouwing van God tot een universum. [8]

De vraag bevat echter een begrijpelijke dubbelzinnigheid. Met een onderbreking kan men bedoelen dat God tijdelijk niet bestaat, maar ook dat zijn toestand verandert: eerst zou hij alleen bestaan en vervolgens met een wereld omgaan. Dat tweede is een vraag over verandering, niet over een onderbreking van bestaan. Zelfs wanneer men verandering in God aanneemt, volgt daaruit op zichzelf niet dat God tussentijds niet bestaat.

Daarachter liggen drie aannames. De eerste is dat eeuwig bestaan hetzelfde is als oneindig lang bestaan binnen de tijd. Klassieke tijdloosheid ontkent juist die gelijkstelling: God zou niet eindeloos van moment naar moment gaan, maar zonder temporele opeenvolging bestaan. Een eeuwigdurend-temporeel model neemt daarentegen wel opeenvolging in Gods leven aan. [15]

De tweede aanname is dat iedere nieuwe uitwerking een nieuwe toestand in de oorzaak vereist. Thomas bestrijdt dat voor God. Hij onderscheidt een eeuwige wil om een wereld met een begin voort te brengen van een wil die pas op enig moment ontstaat. In zijn model heeft het gevolg een temporeel begin zonder dat God eerst moet wachten en vervolgens van besluit verandert. [19]

De derde aanname is dat schepping uitsluitend een eerste gebeurtenis betekent. Thomas’ behandeling laat een dieper onderscheid zien: de afhankelijkheid van een wereld van God en de vraag of die wereld een eerste tijdstip heeft, zijn niet hetzelfde probleem. Hij meent dat het temporele begin van de wereld wordt geloofd, maar niet door een sluitend filosofisch bewijs kan worden aangetoond. [8][19]

De eerste stap is daarom begripsmatig: scheiding maken tussen bestaan, handelen en veranderen. Daarmee is nog niet bewezen dat klassieke tijdloosheid juist is. Wel verdwijnt de veronderstelde gevolgtrekking dat scheppen als zodanig Gods bestaan moet onderbreken.

Augustinus, Boethius en Thomas: eeuwigheid zonder wachten

Augustinus: er was geen eerder ’toen’

In Belijdenissen XI.13 behandelt Augustinus de vraag wat God deed voordat hij hemel en aarde schiep. Zijn antwoord is niet dat God een onvoorstelbaar lange tijd niets deed. God is volgens hem de schepper van de tijd zelf: zonder tijd bestond er geen eerder ’toen’ waarop God iets anders had kunnen doen. [20]

Dit verandert de betekenis van Gods voorafgaan aan de wereld. God gaat de tijd niet vooraf zoals gisteren aan vandaag voorafgaat. Augustinus spreekt over een steeds tegenwoordige eeuwigheid, tegenover tijden die komen en voorbijgaan. Daarmee probeert hij Gods eeuwigheid niet als een bijzonder lange geschiedenis, maar als een andere bestaanswijze te begrijpen. [20]

Boethius: het gehele leven tegenwoordig

Boethius formuleert in De vertroosting van de filosofie, boek V, proza 6, zijn beroemde definitie: eeuwigheid is het volledige en gelijktijdige bezit van onbegrensd leven. Het onderscheidende punt is niet alleen dat dit leven nooit eindigt, maar dat het niet stukje bij beetje wordt geleefd. Er is geen verloren verleden en geen nog ontbrekende toekomst. [18]

Het woord ‘gelijktijdig’ kan hier misleiden. Het bedoelt niet dat alle gebeurtenissen in onze wereld op hetzelfde kloktijdstip plaatsvinden. Het beschrijft Gods veronderstelde verhouding tot die gebeurtenissen: God kent ze niet eerst als toekomstig, vervolgens als tegenwoordig en daarna als herinnering, maar zonder opeenvolging in zijn kennen. Boethius spreekt daarom over een eeuwig tegenwoordige goddelijke blik. [15][18]

Thomas: tijdelijke gevolgen, geen nieuwe goddelijke toestand

Thomas verbindt eeuwigheid met onveranderlijkheid. Tijd meet verandering en kent een eerder en later; eeuwigheid kent volgens zijn definitie geen dergelijke opeenvolging. Een volledig onveranderlijk wezen bestaat daarom niet op de manier waarop veranderlijke dingen door de tijd heen bestaan. [6]

Zijn scheppingsleer past binnen dat kader. God zou niet eerst een scheppingsplan ontwikkelen, vervolgens besluiten en daarna uitvoeren. Het eeuwige willen heeft een gevolg dat op een bepaald moment bestaat. Dat is een metafysische verklaring, geen beschrijving van een waarneembaar mechanisme; juist de mogelijkheid van zo’n tijdloze oorzaak blijft onderwerp van debat. [19][15]

Er bestaat een belangrijke joodse parallel bij Maimonides. In Gids der verdoolden II.13 rekent hij ook de tijd tot het geschapene: tijd hangt samen met beweging van geschapen dingen. ‘Zonder wereld’ hoeft dan evenmin een oneindig lang tijdvak te betekenen. [12]

Deze klassieke benadering wil dus geen levenloze God voorstellen. Zij probeert goddelijk leven en handelen te denken zonder wachten, leren of opeenvolgende beslissingen. Of persoonlijk handelen werkelijk zonder die kenmerken denkbaar is, vormt precies een van de belangrijkste bezwaren ertegen. [15]

Genesis 18: Abraham ontmoet God, maar hoe?

Wat het verhaal daadwerkelijk vertelt

Genesis 18 opent met de mededeling dat de HEER aan Abraham verschijnt bij Mamre. Abraham ziet vervolgens drie mannen, ontvangt hen gastvrij en zet hun voedsel voor. Het verhaal wisselt tussen de bezoekers en de HEER; Genesis 19:1 spreekt vervolgens over twee engelen die in Sodom aankomen. [14][4]

Daarna krijgt Abraham te horen over het oordeel over Sodom. Hij vraagt of God de rechtvaardigen samen met de schuldigen zal vernietigen en beroept zich op de rechtvaardigheid van de rechter van de gehele aarde. Het gesprek loopt van vijftig naar tien rechtvaardigen; telkens wordt toegezegd dat de stad omwille van dat aantal gespaard zal worden. [14]

Hier gebeurt iets wezenlijks: de tekst geeft menselijke voorbede werkelijk ruimte. Maar hij zegt niet dat Gods bestaan wordt onderbroken. Ook staat er niet uitdrukkelijk dat God een eerder onvoorwaardelijk besluit herroept omdat Abraham hem onbekende informatie verschaft. De toezeggingen hebben een voorwaardelijke vorm: indien er zoveel rechtvaardigen zijn, zal de stad worden gespaard. [14]

De afloop verdient eveneens aandacht. Het gesprek leidt niet tot het sparen van heel Sodom. Genesis 19 vertelt wel dat God Abraham gedacht wanneer Lot uit de vernietiging wordt gered. Voorbede heeft dus betekenis binnen het verhaal, zonder dat Abraham eenvoudig de volledige gewenste uitkomst bereikt. [4]

Antropomorfe taal en theofanie

Het hoofdstuk spreekt over God in menselijke handelingsvormen: verschijnen, spreken, afdalen om te onderzoeken en vertrekken. Vooral Genesis 18:20-21, waar God wil afdalen om te zien, stelt de vraag scherp of hier nieuw verkregen kennis wordt beschreven. Een klassieke uitleg leest dit als mensvormige taal voor Gods betrokkenheid en rechtvaardige beoordeling; een meer verhalend-letterlijke uitleg geeft meer gewicht aan de opeenvolgende handelingen zelf. [14][11]

Antropomorfisme betekent hier dat menselijke vormen en handelingen op God worden betrokken. Dat label verklaart echter nog niet welke onderdelen beeldspraak zijn en welke werkelijkheid ermee wordt uitgedrukt. Het mag daarom niet dienen als een manier om de ontmoeting eenvoudig weg te verklaren.

Een theofanie, een verschijning van God, hoeft binnen een klassieke uitleg niet te betekenen dat Gods wezen zelf een menselijk lichaam wordt. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen God en de geschapen vorm waarin hij zich bekendmaakt. Maar ook de aard van die verschijning wordt verschillend uitgelegd.

Maimonides verstaat de ontmoeting als een profetisch visioen: Genesis 18:1 introduceert dan wat Abraham in het daaropvolgende visioen ziet. Nachmanides verzet zich tegen deze uitleg en verdedigt de gebeurtenis als iets dat daadwerkelijk plaatsvindt. Deze tegenstelling laat zien dat zelfs binnen belangrijke joodse uitlegtradities geen eenvormig antwoord bestaat. [11]

Werkelijke betrokkenheid hoeft geen identieke metafysica te betekenen

Jonathan Sacks benadrukt een andere dimensie: Abraham verschijnt als morele gesprekspartner die Gods rechtvaardigheid ernstig neemt en daarom durft te protesteren. Zijn pleidooi is niet noodzakelijk verzet tegen God, maar kan juist een vorm van verbondstrouw zijn. [13]

Die lezing voorkomt dat de discussie uitsluitend over goddelijke tijdservaring gaat. Zowel een tijdloosheidsmodel als een temporeel model moet recht doen aan de inzet van het verhaal: Abraham spreekt niet in een betekenisloos vacuüm. Ze verschillen over de verklaring van Gods antwoord, niet noodzakelijk over de betekenis van Abrahams voorbede.

Drie modellen: dezelfde eeuwigheid, verschillende verklaringen

Het filosofische debat kent drie belangrijke antwoorden. De tegenstelling gaat niet primair over een God die soms wel en soms niet bestaat, maar over opeenvolging in Gods leven en handelen. [15]

ModelGods verhouding tot tijdSchepping en interactieBelangrijkste krachtBelangrijkste moeilijkheid
Klassieke tijdloosheid: Augustinus, Boethius, ThomasGeen eerder en later in Gods eigen levenTijdelijke gebeurtenissen zijn gekend en gewild zonder opeenvolgende goddelijke toestandenVerklaart waarom schepping geen nieuwe bestaansfase of afhankelijkheid in God hoeft te veroorzakenHoe kunnen persoonlijk antwoorden en handelen zonder enige opeenvolging plaatsvinden? [20][18][15]
Eeuwigdurend-temporeel bestaan: onder anderen Wolterstorff en de latere SwinburneGods leven kent opeenvolging en houdt niet opGod handelt en reageert binnen een temporele orde; dit hoeft niet simpelweg onze fysieke kloktijd te zijnSluit gemakkelijker aan bij spreken, handelen en reageren als opeenvolgende activiteitenMoet men intrinsieke verandering in God aanvaarden, en wat blijft er dan van sterke onveranderlijkheid over? [15]
Tijdloos zonder schepping, temporeel met schepping: William Lane CraigZonder wereld geen temporele opeenvolging; met de eerste gebeurtenis begint temporaliteitGod brengt met de wereld ook tijd voort en leeft vervolgens temporeelCombineert het ontbreken van een voorafgaande wachttijd met temporele betrokkenheidHoe kan de overgang van tijdloos naar temporeel worden begrepen zonder al een eerder en later te veronderstellen? [9][15]

De modellen lossen dus verschillende problemen op. Wat bij het ene model de kracht is, vormt vaak juist de prijs die een ander model niet wil betalen.

Craigs voorstel maakt dit concreet. Hij zegt bewust ‘zonder schepping’, niet eenvoudig ‘voor de schepping’. Zonder gebeurtenissen bestaat volgens hem geen tijd; de eerste scheppingsgebeurtenis valt samen met het begin van de tijd. Een onveranderde mentale toestand zou bovendien tijdloos mogelijk zijn, zonder dat het betrokken wezen principieel onveranderbaar moet zijn. [9]

Dit vermijdt het beeld van een God die eindeloos wacht. Toch blijft de vraag hoe een tijdloos bestaan kan overgaan in een temporeel bestaan. Wanneer men twee opeenvolgende fasen beschrijft, lijkt men de tijd al te hebben ingevoerd; wanneer men iedere opeenvolging ontkent, wordt onduidelijk wat ’temporeel worden’ betekent. Dat is een serieus bezwaar tegen het model, maar niet hetzelfde als de stelling dat God tijdelijk niet bestaat. [15]

Voor het begrijpen van de oorspronkelijke vraag is de winst helder: zelfs een model waarin God temporeel wordt, hoeft geen onderbreking van Gods bestaan aan te nemen. Het gaat dan om een verandering van zijn verhouding tot tijd.

Werkelijke relaties zonder verandering in Gods wezen?

Het klassieke antwoord maakt een technisch onderscheid tussen intrinsieke verandering, een verandering in het betrokken wezen zelf, en extrinsieke verandering, een verandering in de verhouding tot iets anders. Die laatste wordt in de filosofie ook besproken onder de noemer Cambridge change. [16]

Thomas past een verwant onderscheid toe op Gods verhouding tot de wereld. Een schepsel staat werkelijk in een afhankelijkheidsrelatie tot God. Maar het ontstaan van dat schepsel voegt volgens hem geen nieuwe eigenschap aan Gods wezen toe. Aanduidingen als ‘Schepper’ kunnen daarom vanaf een bepaald moment gelden vanwege het ontstaan van het schepsel, zonder intrinsieke verandering in God. [3]

Zijn technische uitspraak dat er in God geen werkelijke betrekking tot schepselen ontstaat, maar een betrekking van het denken, betekent dus niet eenvoudig dat de wereld of Gods handelen denkbeeldig is. Zij ontkent dat schepping God een nieuw bestanddeel of een nieuwe toestand bezorgt. De afhankelijkheid van het schepsel en Gods uitwerking blijven binnen dat model werkelijk. [8][3]

Toegepast op Abraham luidt de klassieke reconstructie: God kent en wil niet alleen de uiteindelijke uitkomst, maar ook Abrahams voorbede en het antwoord daarop. Het antwoord gebeurt op een bepaald moment in Abrahams geschiedenis, zonder dat God op dat moment van onwetendheid naar kennis overgaat. Dit is een toepassing van het model, geen uitleg die Genesis 18 zelf expliciet formuleert. [14][19]

De Bijbel biedt bovendien verschillende soorten taal die gezamenlijk moeten worden meegewogen:

BijbeltekstWat de passage benadruktWat daarmee nog niet is beslist
Psalm 90:2,4God is God voordat de bergen bestaan; duizend jaren zijn voor hem als een voorbijgegane dag. [5]Of Gods bestaan letterlijk zonder opeenvolging is.
Exodus 3:12-14Gods aanwezigheid bij Mozes en de naam die onder meer als ‘Ik ben’ of ‘Ik zal zijn’ wordt weergegeven. [7]Of deze naam op zichzelf een volledige metafysica van tijdloosheid bevat.
Maleachi 3:6-7Gods onveranderlijkheid staat naast de oproep terug te keren en de belofte van Gods terugkeer. [10]Of onveranderlijkheid iedere vorm van relationele verandering uitsluit.
Exodus 32:9-14Mozes pleit voor het volk; vervolgens wordt verteld dat God afziet van de aangekondigde straf. [2]Of dit verandering van Gods eeuwige wil beschrijft, of een tijdelijke uitvoering van een onveranderlijke bedoeling.
2 Petrus 3:8-9De vergelijking tussen een dag en duizend jaar staat in een betoog over Gods geduld en de vervulling van zijn belofte. [1]Een exacte omrekening tussen goddelijke en menselijke tijd.

Deze passages maken het te eenvoudig om alle bijbelse taal uitsluitend als onveranderlijkheid of uitsluitend als verandering te lezen. Ze vragen om een uitleg die zowel Gods betrouwbaarheid als zijn betrokkenheid bewaart.

De scherpste filosofische tegenvraag blijft: is een antwoord nog werkelijk responsief wanneer er in God niets nieuws gebeurt? Ook Gods kennis van het veranderende ‘nu’ vormt een probleem: verandert zijn kennis mee, of kent hij alle gebeurtenissen zonder een verschuivend goddelijk heden? Het antwoord hangt mede af van de gekozen filosofie van tijd. [16][15]

Synthese: geen bestaansonderbreking, wel een blijvende spanning

De oorspronkelijke vraag raakt een werkelijk probleem, maar lokaliseert het niet helemaal juist. Schepping en interactie impliceren niet dat Gods bestaan wordt onderbroken. De moeilijkheid betreft de verhouding tussen eeuwigheid, verandering en persoonlijk handelen.

De drie modellen verschillen langs drie belangrijke lijnen. Wat het mechanisme betreft, verklaart klassieke tijdloosheid tijdelijke gevolgen vanuit een niet-opeenvolgend goddelijk kennen en willen. Temporele eeuwigdurendheid laat Gods handelen zelf opeenvolging kennen. Het gecombineerde model onderscheidt Gods bestaan zonder wereld van zijn temporele leven met een wereld. [15][9]

Wat de reikwijdte betreft, wil het klassieke model ook scheppen, kennen en antwoorden zonder intrinsieke verandering begrijpen. Het temporele model biedt meer ruimte voor werkelijk nieuwe goddelijke toestanden. Het gecombineerde model beschermt de tijdloosheid zonder schepping, maar niet gedurende Gods omgang met de geschapen geschiedenis. [3][15][9]

Wat de prijs betreft, moet klassieke tijdloosheid uitleggen waarom onveranderlijk handelen niet neerkomt op afwezigheid of onverschilligheid. Temporele modellen moeten uitleggen waarom verandering niet ten koste gaat van de bedoelde goddelijke volmaaktheid en onafhankelijkheid. Het gecombineerde model moet vooral de overgang tussen beide bestaanswijzen verhelderen. Geen van die opgaven verdwijnt door alleen het woord ‘eeuwig’ te gebruiken. [15]

Genesis 18 beslist die metafysische discussie niet zelfstandig. Het vertelt wel dat God zich bekendmaakt, Abraham aanspreekt en ruimte geeft aan zijn pleidooi voor rechtvaardigheid. Maimonides’ visioenlezing, Nachmanides’ verzet daartegen en Sacks’ nadruk op moreel partnerschap laten zien hoeveel verschillende vragen in die ontmoeting samenkomen. [14][11][13]

Het zorgvuldigste antwoord is daarom: volgens klassieke joodse en christelijke denklijnen kan de wereld beginnen en kan God zich in haar geschiedenis bekendmaken zonder dat Gods bestaan zelf begint, ophoudt of wordt onderbroken. Of die werkelijke betrokkenheid ook zonder iedere opeenvolging in Gods kennen en willen mogelijk is, blijft een omstreden theologische en filosofische vraag. Het klassieke model biedt daarvoor een samenhangende verklaring; de temporele alternatieven leggen de nadruk op moeilijkheden die daarmee niet voor iedereen zijn opgelost.

References

  1. bible.usccb.org bible.usccb.org
  2. bible.usccb.org bible.usccb.org
  3. SUMMA THEOLOGIAE: The names of God (Prima Pars, Q. 13) newadvent.org
  4. bible.usccb.org bible.usccb.org
  5. bible.usccb.org bible.usccb.org
  6. SUMMA THEOLOGIAE: The eternity of God (Prima Pars, Q. 10) newadvent.org
  7. bible.usccb.org bible.usccb.org
  8. SUMMA THEOLOGIAE: The mode of emanation of things from the first principle (Prima Pars, Q. 45) newadvent.org
  9. God, Time, and Change | Reasonable Faith reasonablefaith.org
  10. bible.usccb.org bible.usccb.org
  11. Torah Narratives with Angels Never Actually Happened: Heretical or Sublime? – TheTorah.com thetorah.com
  12. The guide for the perplexed gutenberg.org
  13. Arguments for the Sake of Heaven | Vayera | Covenant & Conversation | The Rabbi Sacks Legacy rabbisacks.org
  14. Genesis, CHAPTER 18 | USCCB bible.usccb.org
  15. Eternity in Christian Thought (Stanford Encyclopedia of Philosophy) plato.stanford.edu
  16. Immutability (Stanford Encyclopedia of Philosophy) plato.stanford.edu
  17. SUMMA THEOLOGIAE: The will of God (Prima Pars, Q. 19) newadvent.org
  18. Boethius: Consolation of Philosophy – Christian Classics Ethereal Library ccel.org
  19. SUMMA THEOLOGIAE: The beginning of the duration of creatures (Prima Pars, Q. 46) newadvent.org
  20. Logos Virtual Library: Saint Augustine: Confessions, XI, 13 logoslibrary.org

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *