Logos instituut 10:

10. Niet genoeg skeletten uit de steentijd

Antropologen die uitgaan van de evolutietheorie beweren dat de steentijd minstens 100.000 jaar heeft geduurd. Tijdens die periode zou de wereldpopulatie van Neanderthalers en Cro-Magnon mensen ongeveer constant geweest zijn, tussen de 1 en 10 miljoen. Al die tijd begroeven ze hun doden met voorwerpen.Volgens dit scenario zouden ze dan minstens 4 miljard lichamen moeten hebben begraven. Als de evolutionistische tijdschaal correct is zouden begraven botten veel langer dan 100.000 jaar mee moeten gaan. Veel van de 4 miljard steentijdskeletten zouden dus nog aanwezig moeten zijn (en dat geldt al helemaal voor de begraven voorwerpen). Er zijn er echter slechts een paar duizend gevonden. Dit duidt erop dat de steentijd veel korter moet zijn geweest dan evolutionisten beweren. In de meeste gebieden een paar honderd jaar.

Weerwoord

Waarom ontbrekende steentijdskeletten geen jonge aarde bewijzen

Kernpunten

  • Lange Chronologie: Stenen werktuigen zijn bekend van ongeveer 3,3 miljoen jaar geleden. Een steentijd van minstens 100.000 jaar is dus geen overdreven lange voorstelling. [15] -> Onderscheid de totale steentijd van de geschiedenis van afzonderlijke mensgroepen.
  • Verschillende Mensgroepen: Neanderthalers leefden ongeveer 400.000-40.000 jaar geleden; de Cro-Magnonfossielen behoren tot Homo sapiens. [13][121.46, 121.48-50] -> Behandel deze namen niet als een constante wereldbevolking.
  • Onzekere Bevolkingsomvang: Een modelstudie schat de Neanderthalermetapopulatie op een orde van grootte van 5.000-70.000 mensen, met aanzienlijke onzekerheid. [10] -> Presenteer 1-10 miljoen gedurende de hele periode niet als vastgesteld gegeven.
  • Geen Universeel Grafritueel: Er bestaat overtuigend bewijs voor specifieke Neanderthalerbegravingen, maar dat bewijst niet dat iedereen met grafgiften werd begraven. [8] -> Onderscheid aantoonbare gevallen van een veronderstelde algemene gewoonte.
  • Geen Bewaargarantie: Bodemchemie, micro-organismen en waterhuishouding kunnen begraven bot sterk aantasten. [5] -> Begraven betekent niet automatisch behouden blijven.
  • Geen Rechtstreekse Volkstelling: Ongeveer driekwart van de vindplaatsen met Neanderthalerresten ligt in West-Europa, dat maar ongeveer een vijfde van hun geschatte verspreidingsgebied beslaat. [4] -> Vondstaantallen weerspiegelen ook conservering en onderzoeksintensiteit, niet alleen hoeveel mensen leefden.

1. Minstens 100.000 jaar: geen probleem voor de steentijd

Bewering 1: “De steentijd duurde minstens 100.000 jaar.” Als algemene ondergrens is dat juist, maar weinig specifiek. De steentijd omvat veel meer dan de periode van Neanderthalers en Europese vroegmoderne mensen: de stenen werktuigen van Lomekwi 3 in Kenia zijn ongeveer 3,3 miljoen jaar oud. Die ouderdom berust op hun geologische context, niet op een berekening vanuit aantallen menselijke skeletten. [15]

De genoemde mensgroepen moeten bovendien uit elkaar worden gehouden. Neanderthalers, doorgaans aangeduid als Homo neanderthalensis, leefden ongeveer 400.000-40.000 jaar geleden in Europa en delen van Zuidwest- en Centraal-Azie. [13] Vroegmoderne mensen behoren tot onze soort, Homo sapiens. Cro-Magnon is een historische benaming naar een Franse vindplaats, geen afzonderlijke mensensoort; Cro-Magnon 1 behoort tot Homo sapiens en is ongeveer 30.000 jaar oud. [1]

Het probleem met het argument is dus niet dat een lange steentijd wordt aangenomen. Het probleem ontstaat wanneer die lange periode wordt gecombineerd met een uniforme bevolking, een universeel begrafenisritueel en vrijwel gegarandeerde bewaring en ontdekking.

2. Een constante bevolking van 1-10 miljoen is niet aangetoond

Bewering 2: “Neanderthalers en Cro-Magnonmensen vormden gedurende die hele periode een constante wereldbevolking van 1-10 miljoen.” Hiervoor ontbreekt een deugdelijke onderbouwing. De namen verwijzen niet eens naar dezelfde soort of naar twee gelijktijdig over de hele wereld verspreide bevolkingen. [13][121.46-50]

Bocquet-Appel en Degioanni komen in een modelstudie bijvoorbeeld op 5.000-70.000 individuen voor de Neanderthalermetapopulatie. Zij benadrukken dat dit een orde-van-grootteschatting is, geen exacte telling. Ook waarschuwen zij dat de genetisch effectieve populatiegrootte niet hetzelfde is als het werkelijke aantal levende mensen: de effectieve grootte beschrijft genetische processen en is doorgaans kleiner dan de censuspopulatie. [10]

Ook voor Europese Homo sapiens wijzen reconstructies niet op een onveranderlijke bevolking. Tallavaara en collega’s modelleren ongeveer 330.000 mensen rond 30.000 jaar geleden, een minimum van ongeveer 130.000 rond 23.000 jaar geleden en bijna 410.000 rond 13.000 jaar geleden. Dit zijn uitdrukkelijk modelschattingen, maar ze illustreren hoe sterk klimaat en leefgebied de bevolkingsomvang kunnen laten veranderen. [17]

Deze Europese cijfers bepalen niet de toenmalige wereldbevolking en sluiten miljoenen mensen in bepaalde perioden niet uit. Ze laten wel zien waarom een constant wereldtotaal van 1-10 miljoen over de volledige veronderstelde periode niet als vaststaand uitgangspunt mag dienen.

3. Begravingen bewijzen niet dat iedereen grafgiften kreeg

Bewering 3: “Zij begroeven al hun doden met grafgiften.” Dat gaat veel verder dan het archeologische bewijs.

Een belangrijk positief voorbeeld is La Chapelle-aux-Saints. Hernieuwd onderzoek ondersteunt daar een doelbewuste Neanderthalerbegraving: een aangepaste kuil, relatief goede bewaring van de menselijke botten en aanwijzingen voor snelle bedekking vormen samen het argument. De onderzoekers concluderen dat intentionele begraving op deze vindplaats aannemelijk is. Dat toont een concrete handeling aan, niet een universele gewoonte voor alle Neanderthalers. [8]

Ook moeten begraven en grafgiften meegeven afzonderlijk worden aangetoond. Bij Shanidar werden pollen ooit uitgelegd als bewijs voor neergelegde bloemen. Heronderzoek concludeert dat de pollenklompen beter passen bij afzetting door grondnestelende bijen; bloemen als grafgift zijn daarmee niet onderbouwd. Dat sluit zorgvuldige omgang met het lichaam niet uit. [18]

Bij laat-jongpaleolithische en vroegmesolithische mensen varieert de uitrusting van graven eveneens sterk. Een overzicht beschrijft zowel begravingen met voorwerpen als contexten waarin grafgiften niet herkenbaar zijn en persoonlijke versieringen vrijwel ontbreken. [11] De juiste conclusie is daarom: sommige mensen werden aantoonbaar begraven, soms met grafgiften; “iedereen, altijd” is niet aangetoond.

4. Vier miljard sterfgevallen zijn niet vier miljard vindbare graven

Bewering 4: “Daarom moeten minstens 4 miljard lichamen begraven zijn.” Een getal van die orde kan uit een eenvoudig rekenmodel volgen, maar alleen onder expliciete aannamen.

Neem een gesloten, stationaire bevolking: de omvang en leeftijdsopbouw blijven gelijk en geboorten compenseren sterfte. Dan geldt bij benadering:

Aantal sterfgevallen = bevolking x tijdsduur / levensverwachting bij geboorte.

Voor een duur van 100.000 jaar levert dat onderstaande gevoeligheidsberekening op. De gekozen bevolkingsomvang en levensverwachtingen zijn uitsluitend rekenaannamen, geen gereconstrueerde steentijdwaarden.

Aangenomen constante bevolkingAangenomen levensverwachting bij geboorteBerekende sterfgevallen in 100.000 jaar
1 miljoen25 jaar4 miljard
1 miljoen40 jaar2,5 miljard
10 miljoen25 jaar40 miljard

Vier miljard is dus een voorwaardelijke uitkomst, geen zelfstandig vastgesteld minimum. De levensverwachting bij geboorte is hierbij iets anders dan de maximale levensduur of de gemiddelde leeftijd waarop mensen kinderen krijgen.

Zelfs als we vier miljard sterfgevallen zouden aannemen, volgt daaruit nog geen aantal ontdekte graven. Conceptueel geldt:

Gevonden resten = sterfgevallen x aandeel herkenbaar begraven x vervolgens behouden aandeel x vervolgens ontdekt en herkend aandeel.

Die opeenvolgende fracties zijn niet automatisch 100%. De stap van “veel mensen overleden” naar “hun graven moeten nu allemaal of grotendeels aantoonbaar zijn” is precies wat onderbouwd zou moeten worden. Het demografische rekenwerk levert die onderbouwing niet.

5. Botten hebben geen bewaargarantie van 100.000 jaar

Bewering 5: “Begraven botten en grafgiften moeten ruim 100.000 jaar bewaard blijven.” Dat verwart kunnen overleven met moeten overleven.

Taphonomie bestudeert wat na de dood met resten gebeurt; diagenese omvat veranderingen tijdens het verblijf in de bodem. Een overzicht van Kendall en collega’s beschrijft hoe micro-organismen, verlies van organisch materiaal en veranderingen van het botmineraal gezamenlijk de bewaring bepalen. Bodem-pH, temperatuur en waterhuishouding spelen daarbij een belangrijke rol. Vooral wisselende waterstanden kunnen zeer schadelijk zijn. [5]

Bot bestaat bovendien niet uit onverwoestbaar steen. Verlies van collageen verzwakt de structuur en kan bijdragen aan het volledig verdwijnen van een skeletelement. [5] Een empirische studie van 219 archeologische botten met bijbehorende bodemmonsters laat verschillende afbraaktrajecten zien, afhankelijk van bodemomstandigheden en taphonomische voorgeschiedenis. [6]

Goede bewaring van een oud skelet bewijst dus niet dat alle even oude skeletten bewaard behoren te zijn. De overlevende exemplaren zijn juist een geselecteerde verzameling. Voor grafgiften geldt evenmin een algemene bewaartermijn: de oude stenen werktuigen van Lomekwi tonen dat stenen artefacten zeer lang kunnen overleven, niet dat een compleet graf inclusief lichaam intact blijft. [15] Een overgebleven voorwerp is zonder herkenbare grafcontext bovendien nog geen aantoonbare grafgift.

6. “Enkele duizenden” is geen maat voor alle gestorven mensen

Bewering 6: “Er zijn slechts enkele duizenden gevonden.” Zonder bron, peildatum en afbakening is dit geen eenduidig wereldtotaal. Gaat het om losse botfragmenten, individuen, min of meer complete skeletten of aantoonbare begravingen? En betreft het Neanderthalers, het Europese jongpaleolithicum of de volledige wereldwijde steentijd?

Een inventarisatie van Europese jongpaleolithische Homo sapiens-resten omvat bijvoorbeeld 248 vindplaatsen in 20 landen. Dat is een afgebakende verzameling vindplaatsen, geen telling van alle steentijdmensen of alle ooit bestaande graven. De studie wijst bovendien op betere bewaring in karstgrotten en oververtegenwoordiging van intensief onderzochte regio’s. [3]

Het Neanderthalerbestand geeft een concreet voorbeeld van die selectie: ongeveer driekwart van de vindplaatsen ligt in West-Europa, terwijl dat gebied ongeveer een vijfde van het geschatte verspreidingsgebied beslaat. Gunstige conservering in grotten en rotsschuilplaatsen, samen met veel veldonderzoek, draagt daaraan bij. Andere verspreidingsgrenzen blijven slechter gedocumenteerd. [4]

Er zijn dus meerdere filters: resten moeten bewaard blijven, bereikbaar zijn, worden ontdekt, onderzocht en als menselijk en voldoende oud worden herkend. Onderzoek naar paleolithische vindplaatsverdelingen benadrukt daarom dat een gebied zonder bekende vindplaatsen zowel echte afwezigheid als een lage ontdekkingskans kan weerspiegelen. [9] Een klein vondstbestand is niet hetzelfde als een kleine oorspronkelijke bevolking of een korte periode.

Synthese: waarom “enkele honderden jaren” niet volgt

Bewering 7: “De steentijd duurde daarom in de meeste gebieden maar enkele honderden jaren.” Die conclusie volgt niet uit de voorgaande gegevens. Bevolkingsmodellen schatten hoeveel mensen leefden; taphonomie en onderzoeksbias bepalen hoeveel daarvan zichtbaar worden; dateringsmethoden bepalen de ouderdom van specifieke vondsten en lagen. Deze drie vragen zijn niet onderling uitwisselbaar.

Een concreet tegenvoorbeeld voor een algemeen zeer korte steentijdchronologie is Jebel Irhoud in Marokko. Richter en collega’s dateren verhitte vuurstenen artefacten die rechtstreeks met menselijke resten samenhangen met thermoluminescentie op gemiddeld 315.000 +/- 34.000 jaar. Een tand uit de Irhoud 3-onderkaak levert met uraniumreeksen en elektronen-spinresonantie een ondersteunende ouderdom van 286.000 +/- 32.000 jaar. [14] Deze ouderdommen zijn niet berekend vanuit het aantal gevonden skeletten.

De wezenlijke tegenstelling is daarmee niet “miljarden mensen tegenover duizenden vondsten”, maar een veronderstelde volledige registratie tegenover een aantoonbaar selectief archeologisch archief. Echte begravingen bestaan, sommige botten blijven uitzonderlijk lang bewaard en bevolkingsschattingen zijn onzeker. Geen van die feiten rechtvaardigt de aanname dat alle doden herkenbare, intacte en inmiddels ontdekte graven moeten hebben achtergelaten.

Conclusie: het argument van de ontbrekende steentijdskeletten weerlegt de lange steentijd niet. Het combineert onbewezen demografische en begrafenisaannamen met een onjuiste bewaargarantie en negeert ontdekkings- en onderzoeksbias. Zelfs als het genoemde lage vondstaantal voorlopig wordt aanvaard, bewijst dat geen steentijd van slechts enkele honderden jaren.

Referenties

  1. Cro-Magnon 1 | The Smithsonian Institution’s Human Origins Program humanorigins.si.edu
  2. cambridge.org cambridge.org
  3. sciencedirect.com sciencedirect.com
  4. https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC4988603/
  5. sciencedirect.com sciencedirect.com
  6. sciencedirect.com sciencedirect.com
  7. sciencedirect.com sciencedirect.com
  8. pnas.org pnas.org
  9. sciencedirect.com sciencedirect.com
  10. journals.uchicago.edu journals.uchicago.edu
  11. Checking your browser – reCAPTCHA pmc.ncbi.nlm.nih.gov
  12. The timing and spatiotemporal patterning of Neanderthal disappearance | Nature nature.com
  13. Homo neanderthalensis | The Smithsonian Institution’s Human Origins Program humanorigins.si.edu
  14. The age of the hominin fossils from Jebel Irhoud, Morocco, and the origins of the Middle Stone Age | Nature nature.com
  15. 3.3-million-year-old stone tools from Lomekwi 3, West Turkana, Kenya | Nature nature.com
  16. Evidence for a Young World | The Institute for Creation Research icr.org
  17. pnas.org pnas.org
  18. sciencedirect.com sciencedirect.com

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *